Ina Vogel reageert op een ingezonden brief over De Onlanden als fantastisch vogelgebied. Volgens haar was dit uitgestrekte complex van hooi- en graslanden ook vóór de aanleg van De Onlanden al een mekka voor weidevogels.
In DVHN van donderdag 5 maart staat een ingezonden brief van Henk van den Brink, voorzitter van IVN Roden-Norg. Hij reageert op het artikel ‘Zorgen om platteland’ van Bram Hulzebos (DVHN, 24-02), die boeren ongenuanceerd aan het woord zou laten over ‘zogenaamd mislukt natuurbeleid’ (aldus Van den Brink), waarbij de geïnterviewde in het artikel De Onlanden als voorbeeld aanhaalt.
‘In werkelijkheid vormen De Onlanden een fantastisch vogelgebied met vorig jaar bijvoorbeeld liefst 126 soorten broedvogels, waarvan er 38 op de Rode Lijst van bedreigde soorten staan. Voor verscheidene water- en moerasvogels is het gebied van nationale betekenis’, schrijft Van den Brink.
Eerlijk gezegd vind ik dat Van den Brink zelf hier een belangrijke nuancering weglaat. Voor de aanleg van De Onlanden wás dit uitgestrekte complex van hooi- en graslanden al een fantastisch vogelgebied.
Je struikelde over nestjes
In het ‘Leegeland’ tussen Vierverlaten en Roderwolde, Leekstermeer en Peizerdiep was de lucht bij voorjaarsdag vol van het machtig mooie geluid van kieviten, grutto’s, tureluurs, wulpen en scholeksters. Boeren die hun land betraden, moesten uitkijken niet op nestjes te stappen – daar struikelde je over.
Het Leegeland had veel broedreservaten, die pas na het broedseizoen werden afgehooid. Mijn opa Hendrik Groefsema, melkveehouder, had er land. Lopend aan zijn hand wees hij me op vechtende kemphanen. Hij liet me zien hoe mooi de eitjes van een kievit er uitzien, waarbij hij voorzichtig was om het nest niet te verstoren.
Thuis op de boerderij tilde opa me op zodat ik in het nestje van een boerenzwaluw kon kijken, waarin de jongen waren uitgekomen. Als er vanuit de huiskamer tuinvogels waren te zien, benoemde opa ze altijd. „Kiek, doar hest n groenling.”
Ervaringsdeskundigen
Zoals zoveel boeren, die in alle seizoenen buiten werken en vertrouwd zijn met hoe dieren (vee) zich gedragen, had opa een opmerkzaam oog en een vanzelfsprekende aandacht voor de natuur om hem heen. Dat heeft hij op zijn kinderen en kleinkinderen overgedragen.
Meneer Van den Brink, schrijf dan alstublieft niet generaliserend (en ook wel een tikje arrogant): ‘Omgekeerd denken boeren blijkbaar wel alles van de natuur te begrijpen zonder daarvoor feitenkennis nodig te hebben’. Boeren zijn ervaringsdeskundigen en hebben weldegelijk ook feitenkennis, en wat nog meer telt: liefde voor de boerennatuur om hen heen. Die liefde is zelfs geïnstitutionaliseerd, in organisaties als BoerenNatuur.
Scheert u alstublieft niet iedereen over dezelfde kam; een beetje zelfreflectie zou in dezen geen kwaad kunnen (om een zin in uw brief aan te halen).
Cijfers om te janken
U noemt cijfers, laat ik dat ook doen. Als ik waarneming.nl raadpleeg, dan zijn er in het voormalige weidevogelparadijs het Leegeland in de periode 1 februari tot en met 31 mei 2025 de volgende waarnemingen gedaan. Baltsend: één kievit, twee grutto’s en één wulp (maar die telt eigenlijk niet mee, want dit is op boerenland in Sandebuur). En er is een paartje kieviten en een paartje tureluurs in hun broedbiotoop gemeld.
Als ik me bedenk hoe het ooit was, dan zijn dit cijfers om te janken. Zeker als je weet dat de populaties weidevogels in Nederland toch al onder zeer grote druk staan.
Dan kunnen we juichen over riet- en watervogels, die het in de nieuwe Onlanden zeer goed doen, maar laten we dan ook rouwen over het verdwijnen van de grote rijkdom aan weidevogels die hier van oorsprong hun broedgebied hadden. Het vergraven van het Leegeland heeft wat dit betreft zeer zeker ook een groot negatief effect gehad op de biodiversiteit.
Heel ecosysteem verdween
Overigens was de brede Matsloot, die dwars door het Leegeland liep, altijd al zeer rijk aan water- en rietvogels; het is niet zo dat deze soorten voor de aanleg van de Onlanden niet in het gebied voorkwamen. Mijn tante heeft me als kind de verwondering over die grote aantallen watervogels in de Matsloot laten ervaren.
Is er eigenlijk geteld hoeveel soorten er voorkwamen in het Leegeland, voordat dit gebied is heringericht als waterberging en natuur? Een heel ecosysteem verdween, met flora en fauna (insectenleven) die kenmerkend zijn voor kruidenrijk grasland. Dat hier ook vee werd geweid en er mest op het land terecht kwam, gaf het leven nog een extra impuls: kevers, torren, strontvliegen en wormen waren voedsel voor de boerenlandvogels.
Het voormalige Leegeland is niet de enige plek waar boerennatuur plaats heeft gemaakt voor waterberging en nieuwe natuur. Water- en rietvogels doen het daardoor op veel plekken goed. Wat natuurlijk mooi is, maar wel ten koste gaat van bedreigde weidevogelsoorten.
Gravende mens
Mijn opa hield van de natuur, maar was geen groot liefhebber van dieren die zich met pulletjes voeden. In het Leegeland is de gravende mens, als het om weidevogels gaat, de grootste kuikendief geweest.