Konijnen in november 2025 langs de Benderse op het Dwingelderveld: een zeldzaamheid. Foto: Hans Dekker
Waar zijn de konijnen gebleven? Het valt de 86-jarige Gerrit-Jan van Faassen uit Odoorn de laatste jaren op. Hij ziet nooit meer konijnen. Nooit meer, terwijl hij er vroeger zowat over struikelde.
„Ik had een jachtgebied in het Mantingerveld. Dat was doorspekt met konijnen. Daar is niks meer van over.” Van Faassen woont in een woonzorgcentrum De Paasbergen waar je mooi kunt wandelen. Hij hoopt elke dag weer een dartelend konijntje te zien, maar ziet ze nooit meer. „Alle ouderen hier zouden dat heel mooi vinden.”
Maar ze zijn vrijwel verdwenen, ziet ook boswachter Lars Kampjes die sinds 2021 bij Natuurmonumenten werkt. Hij kent op het Dwingelderveld nog maar vier plekken waar de knaagdieren zitten. De aantallen zijn overal in de provincie drastisch afgenomen, weet hij.
„Een van die gebieden is het Mantingerveld. Daar is een broedvogelrapport waarin iemand in één ochtend 222 konijnen telde. Ik kom daar regelmatig, en heb in vijf jaar tijd één keer konijnen gezien… En dat was op een wildcamera.”
Belangrijk voor andere dieren en planten
Een aderlating voor de zandgronden van Drenthe, wat konijnenleefgebied bij uitstek is. Konijnen zorgen voor holen waar de zeldzame tapuiten in broeden. Een korte grasmat is fijn voor allerlei vogels en sprinkhanen, een schrale bodem voor pioniersplanten en open zandverstuiving voor zandbijen. Met specialistische konijnenjagers gaat het vervolgens ook minder, zoals de blauwe kiekendief en de hermelijn.
De konijnen zijn niet plotseling verdwenen. Het gaat al decennia slecht met het dier. Zo slecht zelfs, dat het landelijk konijnenexpert Jasja Dekker niet echt hoopvol stemt. „Het hangt er soms een beetje vanaf welk weer het buiten is, maar ik zie het weleens somber in.”
Virussen wisselen elkaar af
Tussen 1950 en 2020 is het aantal konijnen met 68 procent afgenomen, blijkt uit een rapport van de Wageningen Universiteit uit 2022.
Konijnen zijn enorm afgenomen door ziektes myxomatose en RHD. Dat heeft dit knaagdier aan de mens te wijten. Myxomatose is een Zuid-Amerikaanse ‘normale’ konijnenziekte die door een Franse arts in 1952 in Europa werd geïntroduceerd om de konijnen op zijn landgoed om zeep te helpen. RHD kwam in 1992 in Nederland terecht en is waarschijnlijk uit een onschuldig virus gemuteerd in Aziatische fokkerijen voor angorawol of vlees.
Dekker: „Die twee virussen wisselen elkaar af. Als er tegen de eerste immuniteit is opgebouwd, laait de andere weer op. Door grootschalige fokkerijen in Azië komen er steeds nieuwe varianten van RHD onze kant op.”
Konijnen moeten met veel zijn
Het probleem met konijnen is: ze houden hun eigen leefgebied in stand. Oftewel: konijnen hebben het makkelijker als ze met velen zijn. Samen houden ze de vegetatie kort. Als het te lang wordt, worden de planten moeilijk verteerbaar. Daarnaast gebruiken jonge konijnen oude holen om een nieuw burcht te maken. Voor succesvolle jonge dieren is dus een overschot aan oude holen nodig.
Konijnen hebben het dus moeilijker als ze nog maar met weinig zijn. Dekker hoopt dat de populaties weer een kritische grens overgaan, vanaf waar ze zichzelf makkelijker in stand houden.
Rotterdamse konijnen naar Vlieland
Om de dieren een handje te helpen, werkt Dekker mee aan projecten met herpopulatie. Hij haalt konijnen weg op plekken waar ze overlast geven en normaliter werden doodgeschoten, zoals een wegentalud of industrieterrein. „Ik heb bijvoorbeeld konijnen mogen halen van het haventerrein van Rotterdam en uitgezet op Vlieland.”
Omdat hij de dieren tijdens zo’n actie toch al in zijn handen heeft, worden ze ook gelijk tegen RHD en myxomatose gevaccineerd. „Maar alle konijnen in Nederland vaccineren is niet te doen. De vaccins zijn ongeveer een half jaar werkzaam.”
Op Vlieland lijkt de aanpak succesvol: de konijnen planten zich weer voort. Maar het is twijfelachtig of zulke verplaatsingen ervoor gaan zorgen dat de populaties weer ‘bij de konijnen af’ zullen stijgen zoals in de eerste helft van de twintigste eeuw. De virussen blijven muteren.
Konijn op het Terhorsterzand in 2014. Foto: Hans Dekker
Dekker is „niet per se optimistisch”. Mogelijk zal hij in de toekomst ook konijnen gaan zenderen, om de dieren nog beter te beschermen. „Maar het blijft slepen met dieren, tegen hoge kosten en stress voor de dieren. Het is het mooiste als een populatie zichzelf kan herstellen.”
Maatregelen: takkenbossen en gaten boren
„Het konijn is een beetje een vergeten soort”, vindt boswachter Kampjes. „Dat komt ook doordat we niet goed weten wat we moeten doen om hem te behouden.” Toch heeft Natuurmonumenten op het Dwingelderveld een aantal foefjes om het de konijnen makkelijker te maken. De hoop is dat geïsoleerde populaties elkaar op die manier nog weten te vinden voor gezonde voortplanting.
Zo leggen de natuurbeheerders takkenhopen neer. Die bieden konijnen beschutting tegen roofdieren en kunnen als hol fungeren. Op sommige plekken wordt gemaaid voor geschikte korte gras en worden konijnenburchten beschermd tegen vertrapping door grazende runderen. Daarnaast zijn er plannen om met een grondboor holletjes in de aarde te maken als beginnetje voor jonge dieren en om hier en daar meidoorn aan te planten als beschutting en bescherming.
Desondanks vraagt ook Kampjes zich af hoeveel toekomst het knaagdier nog heeft. „Ik heb het gevoel dat dat heel lastig gaat worden. Met gericht beheer kunnen we de populatie wel een handje helpen. Maar er is in Nederland bijna geen één plek waar de populatie weer helemaal hersteld is na een slechtere periode.”
Maar áls dat in Drenthe lukt, zou dat Van Faassen uit het woonzorgcentrum in Odoorn met enorme vreugde vervullen. „Het lijkt me zo mooi om er met de kleinkinderen naar te kijken. Het zijn nuttige dieren. De wolf krijgt veel te veel aandacht, en niemand vindt het een aanwinst. Dan heb ik liever konijnen.”