Hermelijn (in zomervacht) met een wildcamera vanuit een buis gefilmd. Foto: Rijksuniversiteit Groningen
Het gaat niet zo goed met de hermelijn, bunzing en wezel. Deze kleine marterachtigen nemen af. Maar hoe erg precies, weten we niet. Pieter Otte doet er onderzoek naar bij de Rijksuniversiteit Groningen.
Een tijdje terug zat promovendus Pieter Otte (29) bij de kapper. Hij vertelde over zijn promotieonderzoek naar kleine marterachtigen zoals de wezel. „Ik dacht dat wezels alleen maar in fabeltjes leefden”, reageerde de kapper.
Het is tekenend voor onze aandacht voor deze kleine roofdieren. Ze zijn niet zo stoer als de wolf, niet zo knuffelbaar als de zeehond, niet zo vaak gezien als de ree en niet zo populair als de zeearend. Maar toch zijn het magnifieke beestjes, als je het Otte vraagt.
Promovendus Pieter Otte (29) doet aan de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek naar kleine marterachtigen: bunzing, hermelijn en wezel. Foto: eigen beeld
Gestoken in een groene trui met de print van een boom erop, steekt de ecoloog van wal. De hermelijn is zijn favoriet. „Zo bijzonder dat ze een witte wintervacht krijgen. Daar hebben ze helemaal geen voordeel van in onze zachte winters, maar ja, klimaatverandering gaat sneller dan evolutie.”
Weinig liefde en weinig aandacht
Hij begon tweeënhalf jaar geleden met zijn onderzoek naar de kleine marterachtigen. Onder dit geslacht ‘mustela’ vallen de bunzing, wezel en hermelijn. Otters, dassen en de vermaledijde steenmarter zijn neven binnen de marterfamilie. Vooral die laatste maakt bepaald geen reclame voor de soort. „Als ik over mijn onderzoek vertel, beginnen mensen steevast over steenmarters en remkabels.”
Een hermelijn op de wildcamera gespot. Foto: Rijksuniversiteit Groningen
Volgens Otte is Nederland in de voorbije veertig jaar minder geschikt geworden voor de kleine marterachtigen door het verdwijnen van houtwallen, -singels en rietkragen. Voedsel is minder alomtegenwoordig en eentoniger. Ook zijn roofdieren als de buizerd en de vos toegenomen.
Ondanks de afname werd er in de afgelopen decennia weinig aandacht aan de kleine marters besteed. Nog steeds is niet bekend hoeveel er exact zijn en waar ze in het landschap voorkomen.
Recent is dat veranderd. Het landbouwministerie geeft budget voor Ottes onderzoek. Bovendien verdwenen wezel, bunzing en hermelijn in recente jaren van de vrijstellingslijsten in de meeste provincies. Ontwikkelaars moeten bij bouwprojecten rekening met deze dieren houden.
Uitvinden hoeveel het er zijn
Hoe kan het eigenlijk dat we niet weten hoeveel er precies zijn? We hebben bunzingen, hermelijnen en wezels nooit goed geteld, vertelt Otte. Hermelijnen, bijvoorbeeld, zijn vaak te klein voor een wildcamera om te detecteren. Otte onderzocht samen met Nederlandse en Zweedse wetenschappers meerdere soorten cameravallen bij het Zuidlaardermeer en bij Akkrum in Friesland.
Een bunzing bezoekt de cameraval in een buis. Foto: Rijksuniversiteit Groningen
Camera’s in een kist met een buis erdoorheen bleken veel effectiever te zijn om de hermelijn en wezel te betrappen dan de ‘traditionele’ wildcamera die aan een boom of paaltje hangt. Dat komt doordat de kleine marters de gewoonte hebben om in kleine holletjes te kruipen op jacht naar een veldmuissnack.
Het weidevogelconflict
Sinister feitje: het verspreidingsgebied van de hermelijn correspondeert met het broedgebied van onze zwaarbeschermde cultuurlandvogels zoals de grutto. Als het goed gaat met weidevogels, gaat het ook goed met de marters.
Dat maakt die roofdieren niet populair: als er weinig muizen zijn, moeten ze hun dieet weleens aanvullen met vogeleitjes. „Ik vind het jammer dat dit conflict tussen weidevogels en kleine marterachtigen bestaat. Volgens mij is er ruimte voor beide in ons landschap.”
„Er zijn mensen die zeggen: we moeten in Nederland kiezen voor de weidevogels. Marters krijgen de rest van Europa. Toch ben ik bang dat dat funest zou zijn voor de populatie van hermelijnen. Ook in andere landen hebben de dieren het ook al niet makkelijk.”
Marters van onschatbare waarde
Bovendien zijn kleine marterachtigen volgens Otte in onze natuur van onschatbare waarde. „Binnen ons vakgebied wordt wel gezegd: ‘kleine marterachtigen, níét panda’s, zouden het boegbeeld voor natuurbescherming moeten zijn’. Kenmerkend voor kleine marterachtigen is namelijk dat ze kort leven. Dus verandering in het landschap zie je snel terug in hun aantallen. Ze zijn indicatoren voor hoe een ecosysteem functioneert.”
Ze spelen bovendien een belangrijke rol in het voedselweb van kleine knaagdieren. „Als kleine marterachtigen zouden verdwijnen, kun je sneller muizenplagen verwachten.”
De komende jaren wil Otte nog beter in beeld krijgen waar de dieren zitten. Daarvoor krijgen hermelijnen een mini-halsband met zender.