Achter mij sloeg het deurtje met een luide klap dicht. Ik ritste mijn winterjas open, zeeg neer op het smalle klapbankje en staarde met beslagen brillenglazen een tijdje voor me uit. En terwijl ik daar zat, luisterend naar de geluiden om me heen, overviel me weldadig gevoel dat ik niet een-twee-drie kon thuisbrengen.
Hoe lang was het geleden dat ik voor het laatst in een kleedhokje van een subtropisch zwemparadijs had gezeten?
Er was een periode op de basisschool dat zowat alle kinderfeestjes in het zwembad werden gehouden. Het was in het begin van de jaren negentig en in de Grote Plaats verderop hadden ze het oude, koude buitenbad net door een subtropisch zwemcomplex vervangen. Een strak betegelde hemel, hier en daar afgewisseld met een bassin vol hydrokorrels waarin vreemde planten uitbundig een jungle stonden te imiteren. Een novum, in ieder geval voor ons dorpskinderen.
Het poedelparadijs herbergde alle zwembadclichés die we ons wensten: de stroomversnelling, de glijbaan, het golfslagbad, de hete bubbelpoel (hangplek voor vozende hormoonpubers) en de waterkanonnen. In een schaars verlicht kinderhoekje bevond zich een groot televisiescherm. Alfred Jodocus Kwak stond er standaard op repeat – ‘spetter, pitter, pater, lekker in het water’, pas toen ik volwassen was doorzag ik het verband.
Zo’n middag eindigde steevast in een kring van plastic meubilair, met rode ogen rond een trog patat – de gecombineerde walm van badwater en frituurvet als bezegeling van een feestelijk uitje.
Maar waar de middag begon, in die klamme, nauwe kleedkubus - juist díe plek vond ik stiekem altijd het fijnst.
Want hoewel binnen die hokjes slechts een zweem van privacy bestond, vormden die rijen met kleedhokjes toch een soort vacuüm.
Achter me loeiden de haardrogers en bliepten de toegangspoortjes. Vóór me klaterden fonteinen, galmden kinderstemmen en snerpten de fluiten van de badmeesters. Maar ertussenin, in deze omkleedcouveuse, was ik heel even alleen met mijn zwemtas en mijn gedachten.
En die waren er veel; de benepenheid van de ruimte en de wetenschap dat je er alleen voor stond dwongen je tot nadenken over vraagstukken die voor negenjarigen als best complex konden zijn.
Hoe trok je je sokken en broek uit, zonder ze nat te maken aan het lauwe plasje water dat een voorganger er bij het uitwringen van diens zwemkledij achterliet?
Wat te doen met de badhanddoek? Meenemen, of achterlaten in een kluisje, met het gevaar dat je in een zwempauze ruzie kreeg met het slotmechaniekje en het ding je kwartje opvrat?
En eenmaal omgekleed: hoe kreeg je je hele hebben en houden netjes aan de kunststof kleerhanger, een geval met zoveel vertakkingen dat je er juist niets aan kwijt kon.
Nergens werd de zelfstandigheid en het probleemoplossend vermogen van een kind zo op de proef gesteld als in die kleedcabines. Groot was het gevoel van triomf als je het deurtje openzwaaide, handdoek om je schouders, zwemtas in je linkerknuist, de kleerhanger in je rechter – een kapstok op pootjes, maar hé, je had de knoop ontward, verderop chloorde de pret.
Nu zat ik daar weer, ruim dertig jaar later, opgevouwen tussen die vier dunne wandjes en begreep ik ineens waarom ik deze plek zo prettig vond.
Hier had ik me, misschien wel voor het eerst, een grote jongen gevoeld.