Zijn grijns was zo breed dat hij nauwelijks door de schuifdeur van de speelgoedwinkel naar buiten paste. Liep-ie hoor, de jongste (8), verende tred, een doos LEGO triomfantelijk rammelend onder de arm. Met mij, een paar tientjes lichter, er vertwijfeld achteraan: hoe had ik zo onnozel kunnen zijn?
Nou, zo:
Een paar weken eerder waren we uit logeren bij familie en daar zat ik samen met de achtjarige op de rand van het logeerbed, in de slaapkamer van zijn grote neef. In zijn hand hield hij een dartpijltje, een geval dat hevige slijtageverschijnselen vertoonde en amper nog in een rechte baan te werpen viel.
De jongste knikte naar het dartbord schuin boven ons, op een meter of twee. ,,Wat krijg ik van je als ik ’m hiervandaan in de roos gooi?’’
Ik bekeek het afgetakelde pijltje, taxeerde de afstand naar het bord en nam ook de ongelukkig schuine hoek waarin het doel zich bevond in mij op.
,,Vijftig euro’’, zei ik achteloos.
Wat kon er misgaan?
Lang verhaal kort: de achtjarige slingerde het pijltje de lucht in, meer als een discuswerper dan een darter eigenlijk, we zagen hoe het projectiel willekeurig begon te zwabberen zoals je wel eens ziet bij fietsen met een slag in het wiel, onderweg naar nergens, om vervolgens van koers te veranderen en loom, bijna in slow-motion, in het hart van het bord te ploffen.
,,Hoppa!’’, jubelde hij naast me. En ik?
Wat doe je als het onwaarschijnlijke tóch gebeurt? Als wat je voor onmogelijk hield tóch mogelijk blijkt? Soms heeft het leven, de voorzienigheid voor mijn part, zó’n daverende verrassing in petto dat het je gereedschapskist met woorden en emoties uit handen slaat.
Jarenlang alles geprobeerd hebben en uiteindelijk tóch zwanger blijken.
Een vacature met meer dan duizend belangstellenden en dan wél uitverkoren worden.
Met je voetbalteam hopeloos vast raken in een ondergelopen grot en alsnog redding vinden.
Tegen alle logica, statistieken, of verwachtingen in.
Eén van de vreemdste onwaarschijnlijkheden - van een hele andere orde - maakte ik mee in de tijd dat je overdag van die belspelletjes op televisie had, met infantiele vragen als: ‘In welke kleur speelt het Nederlands Elftal?’, waarbij de letters ‘O R _ N J E’ al gegeven waren. Wij deden daar nooit aan mee: te stompzinnig.
Tot ik er op een middag na schooltijd met mijn jongere broer Oebele verveeld naar zat te kijken en er zowaar een vraag voorbij kwam waarvoor enige feitenkennis vereist was. Wij wisten het antwoord en bij hoge uitzondering greep mijn broer naar de telefoon. Minutenlang stond hij in de wacht, toen presentator Jeroen van der Boom zich tot de kijker richtte: ,,We hebben een beller! Hallo, Oebele!’’
,,Gast, zeg iets’’, riep ik koortsachtig naar mijn broer, ,,je zit in de show!’’, maar hij bleef zwijgen.
Op tv hoorden we verbijsterd hoe een ándere Oebele er met de prijs vandoor ging.
Hoe groot was de kans dat er twee van de schaarse Oebeles in Nederland meededen aan hetzelfde belspel? En hoe groot de kans dat uitgerekend die andere het tot de uitzending zou schoppen?
Waren we teleurgesteld? Integendeel, we stonden te high-fiven in de kamer. Als het leven je met Het Onmogelijke frappeert, rest er niets dan daarvoor applaudisseren.