Henk stopt ermee, zei iemand. Ik sloeg aan het denken. Henk de bakker was er een paar jaar geleden al mee uitgescheden, bijna tegelijk met Henk van het tuincentrum. Dus was er nog maar één Henk op wie die opmerking betrekking kon hebben: Henk de fietsenmaker.
Sommige winkels en ambachten zijn zo vergroeid met het dorpsbeeld, hun aanwezigheid zó logisch, dat je er al niet eens meer bij stilstaat dat ze er zijn – totdat ze wegvallen.
Een fietsenwinkel met werkplaats is bij uitstek zo’n zaak. Die hoort bij het dorp als de slagerij, de kerk, het café, in willekeurige volgorde.
Neem een oude ansichtkaart van onze nederzetting, zo eentje van de doorlopende weg, ergens in de eerste helft van de vorige eeuw. Hele huishoudens op straat, nieuwsgierig naar de lens. Vrouwen en meisjes in lange jurken, de mannen er met opgestroopte hemdsmouwen naast, handen kordaat in de zij. Tussen die afgebeelde plukjes mensen tref je altijd een kerel met een smerig lederen schort. Vette snor, vette knuisten, rijwiel losjes aan de arm.
Nu heeft Henk geen snor en zijn handen zijn betrekkelijk schoon. De tijd dat het een kliederboel werd, dat rijwielherstellers fietsen helemaal binnenstebuiten moesten keren om een diagnose te stellen, die tijd is voorbij. Veel fietsonderdelen zijn zo sterk geworden dat ze niet meer gerepareerd hoeven te worden. Kogelringen aan een wiel monteren, geworstel met trapassen; het is amper nog nodig, vertelt Henk.
Het is waar. Het is mooi geweest. Hij houdt ermee op. Bijna veertig jaar nadat hij de winkel opende, 21 jaar oud pas, een ,,jonkje’’ nog, zonder specifieke scholing voor het repareren van tweewielers. Dat leren kwam daarna. Twee avonden in de week. Examen in Voorschoten. In fietsenmakerstaal: ,,Ik ben er ingerold.’’
Henks vader was gas- en waterfitter, een eindje buiten de bebouwde kom. Zijn moeder bestierde op dezelfde plek een bescheiden nering met een stuk of vijftien fietsen, een bijzaak. Toen een meubelwinkel in het dorpshart leeg kwam te staan, rijpte het idee om daar een fietsenhandel met werkplaats in te vestigen. Een goede zet: het was er van begin af aan druk.
Niet zo vreemd. We wonen in een fietsplaats. Decennialang peddelden arbeiders vanuit de dorpskom naar de boerderijen in de contreien, of naar de fabrieken in de Grote Plaats vijf kilometer verderop. Haperden hun fietsen, dan haperde de economie. De fietsenmaker nam letterlijk en figuurlijk een sleutelpositie in.
Los daarvan ploften mensen graag neer op de kruk aan Henks werkbank. De rijwieldokter was een gewaardeerd gesprekspartner, zijn werkplaats soms een praathuis. Vooral over voetbal: Henk voerde lang het plaatselijke vlaggenschip aan, een rappe aanvaller zonder chocoladebeen.
Maar ook over ernstiger zaken. Over ziekte en gezondheid. Over leven en dood. Generaties dorpelingen trokken aan de werkplaats voorbij.
Aan iemands fiets las de reparateur indirect de gezondheid van de eigenaar af. Tekenen van hevige slijtage van het rijwiel verrieden een goede gezondheid van de bezitter. Een fiets in onbruik was een teken aan de wand.
De fiets als omgekeerde spiegel van zijn berijder, al is Henk zelf veel te nuchter voor zulk filosofisch gebazel.
Onze fietsenmaker is bezig met een opvolger. Hij hoopt dat het lukt.