Van oude bomen wordt weleens gezegd dat je ze beter niet kunt verplanten. De tragiek bij mensen is dat dit vaak wél gebeurt, en helaas júist omdat het noodzakelijk is.
Van het zorgcentrum waar pake nog geen twee jaar geleden naartoe verhuisde, was ik onderweg naar een verderop gelegen nieuwer gebouw, speciaal opgetrokken voor bewoners met een vorm van dementie. Daarbinnen was een kamer voor hem vrijgekomen. We hadden gehoopt dat hij niet nóg een verhuizing had hoeven meemaken, maar het was onontkoombaar gebleken.
Het was allemaal heel snel gegaan.
Ik stiefelde door de tuin van het zorgcomplex, rond de grote vijver, een replica van een driemaster veilig in mijn armen geklemd. Ooit had mijn opa de klipper, de Cutty Sark, met eigen handen nagemaakt van hout. Het tuig bestond uit een complex web van fijne garen. Van boegspriet tot achtersteven mat het gevaarte bijna een meter. Jarenlang was het een trotse blikvanger geweest op de verschillende adressen die pake de voorbije jaren had bewoond, eerst mét beppe, de laatste paar etappes zonder.
Dat het ook met deze laatste verhuizing met hem mee zou varen stond buiten kijf. Dat gold niet voor andere spulletjes. Bij elke verhuizing, bij elke volgende stap die er welbeschouwd eentje achteruit was, was er huisraad achtergebleven. Omdat het niet meer paste. Soms letterlijk, omdat het woonoppervlak steeds een beetje bescheidener werd. Maar ook figuurlijk: door de slinkende kaders van pakes belevingswereld, waren spullen in onbruik geraakt en overbodig geworden. De bank. De vriezer. De hometrainer. Zijn hengels.
Het zette me aan het denken. Gedurende ons leven verzamelen we steeds meer, of in ieder geval steeds nieuwe spullen om ons heen. Omdat we ze nodig hebben, omdat we ze mooi vinden, omdat er verhalen aan kleven, of een combinatie van al die factoren. Ze gaan bij ons horen, vaak denken we er zelfs niet zonder te kunnen.
Dat merk je pas als ouderdom en gebrek, het leven zélf, je meer en meer in een keurslijf dwingen en je gedwongen wordt steeds meer van jezelf achter te laten, de rokken van de ui af te pellen. Tot je bij de absolute kern bent.
Met de Cutty Sark tegen mijn lijf betrad ik voor het eerst pakes nieuwe thuis, over grasgroen linoleum, langs muurschilderingen die platteland ademden en door deuren die beplakt waren met een pastorieprofiel, tot ik in zijn kamer kwam en de kern van zijn bezittingen overzag.
Zeker: enkele basale, praktische zaken als een lamp, een stoel, de oude klok, de tv om voetbal te kijken, en een tafeltje waarop een kleedje, zijn brillen en een vaasje met zijden bloemen een plek hadden gekregen.
Maar belangrijker: zijn ingelijste vrachtwagenrijbewijs. Het vaantje voor bewezen diensten in ‘Indië’. Foto’s van familie in zwartwit en sepia, sommige al lang geleden hem ontvallen.
Beppes portret op het nachtkastje, dichtbij als het donker is, ja, vooral dát.
Spullen zijn maar spullen - iedereen weet dat, maar pas bij zo’n allerlaatste verhuizing voel je wat het écht betekent.