Het begon met een folder. Daarna nóg een. Vervolgens verschenen er borden in het dorp, met daarop een lachende meneer, die, blijkens het onderschrift in koeienletters, vond dat wij dorpelingen glasvezel ‘verdienen’.
Op een gegeven moment zagen we zelfs weer licht branden in het al jaren leegstaande schoenwinkeltje aan de doorgaande weg; het bleek door het internetbedrijf van de folders geannexeerd en tot ‘informatiepunt’ omgedoopt.
In tijdsbestek van een paar weken leek ons dorp volledig overrompeld door de campagne van een fanatiek naar klanten hengelende glasvezelaar. Wie had daar in vredesnaam om gevraagd?
Ik niet. Zeker, ik wil best geloven dat glasvezel zo soepel en stabiel is als ons wordt voorgespiegeld. Maar we wonen hier nu niet op een toendra of zo, aan het uiterste eind van een lange, wrakke draad, waar de allerlaatste kilobits loom en rochelend uit het netwerk druppelen. We zitten gewoon in de bebouwde kom, met een internetaansluiting die hooguit bescheiden hikt als we allemaal tegelijk op onze mobieltjes zitten en iemand de spelcomputer aanslingert. Niets verontrustends.
Nee, glasvezel, zo schudhoofdden wij thuis, was een oplossing voor problemen die hier niet bestonden.
Maar, zo ronkten de brochures, met glasvezel was je tenminste voorbereid op de nieuwste apparatuur.
Nu heb ik een blinde vlek voor domotica, voor ‘slim’ en voor draadloos. Jaren geleden sprak ik eens een oude veehouder van in de tachtig. Hij vertelde me dat hij het zo ingewikkeld vond dat gereedschap dat vroeger nog een houten steel had nu van een snoer voorzien was. Ik dacht daaraan toen ik laatst bij mijn nieuwe buurman was en hij triomfantelijk zijn handpalm onder de keukenlamp door liet glijden. Zoef - ineens veranderde de sfeer van ‘mysterieus noorderlicht’ naar ‘duizend-en-één-nacht’. ,,Vette bediening, hè’’, glunderde hij. ,,Héél vet’’, antwoordde ik gemeend, maar stilletjes vroeg ik me af wat er mis was met het vertrouwde lichtknopje. Even was ík die oude veehouder.
In de rij bij de supermarkt, bij praatjes over de heg, in het voorbijgaan op straat; overal hoorde je mensen elkaar vragen: ,,Wat doen jullie?’’ Dan ging het niet over de plannen voor de zomervakantie of het nemen van een booster, maar over het grote glasvezelvraagstuk dat boven ieders hoofd hing. Telkens als ik weer iemand hoorde zeggen dat-ie overstag was, groeide de twijfel. Zagen wij iets over het hoofd? Hadden wij een verkeerde rekensom gemaakt?
De aarzeling werd in de hand gewerkt door de dreigende boodschappen in de glasvezelcampagne: wie niet voor de gestelde datum reageerde, maar later alsnóg een contract wenste, zou met honderden euro’s aansluitkosten om de oren worden geslagen.
Langzaam nam de FOMO bezit van mij. De Fear Of Missing Out. De angst om iets mis te lopen, om achter te blijven terwijl iedereen met zoveel Gigabits per seconde langs je heen suist.
In besluiteloosheid lieten we de deadline verstrijken, nu een paar weken geleden. Vreemd genoeg luchtte dat op. Ze zochten het maar uit met hun fiberfeestje. Baas in eigen meterkast!
Maar nu fietste ik zojuist langs zo’n reclamebord en zag ik dat de glasvezelgigant de uiterste datum om mee te doen naar februari heeft bijgesteld.