Er klonk een pingeltje en mijn telefoon lichtte op. Iemand wilde een connectie maken op netwerkplatform LinkedIn. Nu gebeurde dat wel vaker, maar deze keer was het anders.
Op het scherm stond de naam van een oud-studiegenoot met wie ik een half leven geleden voor het laatst contact had gehad. Aardige jongen, slimme vent, we konden het meteen goed vinden. Hij was rector geworden op een middelbare school, zag ik. Dat verbaasde me niet.
Vanzelfsprekend drukte ik op het vinkje van ‘bevestigen’.
Maar zoals dat gaat met herinneringen wakkert de ene de andere aan, zodat zich een ketting van associaties vormt. En zo was daar, na een paar geheugensprongen langs de eerste studiejaren in een stad die ons nog vreemd was, ook zomaar de gedachte aan háár.
Aan M., het meisje dat deel uitmaakte van dezelfde studiegroep.
Verhip ja, M. Daar zat ze in de collegebanken van de Geertsemazaal in het Academiegebouw tussen tientallen studiegenoten, niet per se in het midden, maar toch het middelpunt, in ieder geval voor mij. Springerige lokken die steeds plagerig aan haar losjes samengebonden paardenstaart ontsnapten. Sproeten als zonnetjes. Een Twents accent dat ze in schattige, vergeefse pogingen probeerde te verbergen.
M. was het meisje van mijn eerste kus, ik was negentien.
Hè, hoor ik u denken, tóen pas? Ja, want waar mijn vrienden en vriendinnen zich gulzig en onverdroten een weg naar volwassenheid tongden, was ik er betrekkelijk laat bij. Mijn hele middelbareschooltijd had ik genoeg meiden om me heen, daar niet van. Ik korfbalde, speelde in een orkest, volgde een studie waar vrouwen in de collegezalen duidelijk de meerderheid vormden. Maar hoe goed ik ook met ze overweg kon, het bleven altijd ‘gewoon’ goede vriendinnen, met wie ik de beste gesprekken voerde, die uithuilden op mijn schouder als ze liefdesverdriet hadden, die ik thuisbracht na het stappen en die ik koppelde aan anderen.
Nooit was ik zelf eens de gekoppelde.
Dat klinkt zieliger dan hoe ik het ervoer. Het was nu eenmaal zo. Ik was in die rol gegroeid, had me erin geschikt en gedroeg me er ook naar, een klankbord op pootjes, step into my office meid, de deur staat open, het hart veilig vergrendeld, al was het maar om mezelf teleurstellingen te besparen.
Tot een gure, maartse avond op een stoep in hartje stad, meer dan twintig jaar geleden. We waren naar de bioscoop geweest, de rector-in-spé, M., twee andere studiegenootjes en ik. Een thriller. Ik had de clou al na een paar scenes doorzien, maar eenmaal buiten, bij het napraten, had ik gelogen over hoe zenuwslopend ik het had gevonden. En terwijl we daar filmscenes stonden te reproduceren, voelde ik vanuit het niets hoe M. haar warme hand in de mijne schoof. Niet in die van iemand anders. In die van míj.
Nou ja, voor we hier verdrinken in aanzwellende violen en ontluikende bloesems: niet lang na de eerste zoen verloren we elkaar uit het oog; uiteenlopende studierichtingen, uiteenlopende levens. Eén keer heb ik nog naar haar gezocht op de sociale media: geen spoor.
Maar met dat pingeltje op mijn telefoon stond ik weer even naast haar, vastgenageld aan het plaveisel van het Zuiderdiep. Dezelfde jongen als vijf minuten daarvoor, en toch totaal veranderd.