'Het viel me ineens iets op, een detail dat ik al die tijd over het hoofd had gezien en dat me nu niet zozeer weemoedig, maar juist hoopvol stemde' | column Wieberen Elverdink
Het was in de week tussen kerst en oud en nieuw. Voor de zoveelste opeenvolgende dag waren buiten de straten stil. Het dorp had vakantie, maar vierde dat vooral binnen, schuilend voor de lauwe, aanhoudend natte atmosfeer – ‘zeer mild’, hadden de weersvoorspellers het eufemistisch genoemd. ‘Honds’ was ook een woord.
Ik op mijn beurt schuilde ook, maar dan buiten. Lange passen, capuchon als schild, bestemming geen idee. Ik beende weg voor het geraas op televisie en in de kranten. Voor het gezeur, de meningen, de meningen óver die meningen, het gepolariseer waarin dat steevast uitmondde en, uiteindelijk, de somberte die daarvan kwam en waar je, als je er niet genoeg afstand van hield, zomaar mee besmet kon raken.
Voor het tweede achtereenvolgende jaar zouden we met oud en nieuw hoofdzakelijk binnen zitten, in klein, maar goed gezelschap, met fijne brouwsels op tafel en zoete klanken uit de speakers. Maar ook met reserves. We hadden van de voorbije twee jaar geleerd niet te ver vooruit te denken. Immers: voor je het wist waren voor al die voornemens, plannen en dromen wolkenvelden vol beletsels en onzekerheden geschoven: gesloten scholen, vergrendelde steden, halflege glazen, balanceren op het slappe koord.
En terwijl ik daar liep door de verlaten straten, langs beslagen vensters waarachter lichtjes twinkelden, verlangde ik terug naar twee jaar eerder, toen we met oudjaar nog vooruitblikten zonder waas en nog onbekommerd feestvierden. Wie deed ons wat?
In mijn telefoon vond ik een filmpje van die dag. Ik had het geschoten in een parkje aan de rand van ons dorp; een alleen via schelpenpaadjes bereikbaar veldje, dat zich in de loop der jaren tot een pleisterplaats voor oudjaarvierders had ontwikkeld. Er was een dj en je kon er versnaperingen kopen. Groepen buurtbewoners warmden zich aan een kampvuur. In de verte bulderden carbidbussen.
Het was aan het eind van de middag, het laatste daglicht van het jaar zou het weldra van het donker verliezen, toen de diskjockey een harde stampplaat opzette die iedereen in beweging dwong, mezelf incluis, en ik de video opnam.
Onscherpe, extatische beelden.
De jongste kinderen, door het dolle heen, donderjagend in de glitters uit het confettikanon, geluidsbeschermers op.
Hun ouders, springend, hossend op de drempel van een nieuw jaar, in de gloed van een hoog flakkerend vuur, bijna in trance als Sioux tijdens een Ghost Dance.
Uitzinnig. Luchthartig. Onwetend, nog.
Ik had het filmpje later nog wel eens afgespeeld, in een nostalgische bui. Maar toen ik het opnieuw aanzette, twee jaar na dato, ergens op de stoep in de miezer, viel me ineens iets op, een detail dat ik al die tijd over het hoofd had gezien en dat me nu niet zozeer weemoedig, maar juist hoopvol stemde. Die tekst van dat dansnummer! Year of Summer, van Wildstylez. Was dit een teken?