,,Nee, valt wel mee’’, bezwoer de dertienjarige en alsof hij iets te bewijzen had, hief hij zijn handpalm demonstratief ten hemel. ,,Het ziet er natter uit dan het is. Écht. Voel zelf maar.’’
Een harde wind joeg de regen in woeste, onregelmatige striemen tegen de verzadigde aarde. De oudste stond op het punt om op zijn fiets te springen, naar school.
Zonder regenpak.
Bijzonder toch. Hoe middelbare scholieren al bij het zien van het minste grijze wolkje voorzichtig beginnen te polsen of je ze heel misschien ook naar school zou willen brengen, omdat het zomaar eens de voorbode van een bui van moessonproporties zou kunnen zijn. Maar hoe dat 180 graden omslaat zodra je weigert voor taxi te spelen en in plaats daarvan het dragen van regenkleding aanmoedigt. ,,Je hebt een hartstikke goed regenpak. Trek dát dan aan.’’
Oh nee.
Dat nooit.
Hele generatietwisten hebben zich voltrokken rond uiteenlopende muzieksmaken, een divergerende seksuele moraal, of tegenovergestelde visies op politiek, taal of wonen. Daar voeg ik graag een vergeten splijtzwammetje aan toe. Een controverse die ouders en kinderen al decennia fundamenteel blijft verdelen: de regenpakstrijd.
Nu, op mijn veertigste, sta ik aan kant van de ouders. De bezorgden. De verstandigen, uiteraard. De pleitbezorgers van een hemelwaterwerende outfit, de hoeders van het droge textiel en het gezonde kind. We willen niet dat ons kroost een dag lang doorweekt zit te vernikkelen in een volgens de nieuwste richtlijnen tot in de puntjes geventileerd (lees: winderig) leslokaal.
Wij zijn Team Regenpak.
Maar ik hoef niet diep te graven om aan de andere kant van de scheidslijn uit te komen, in het kamp van de pubers, het kamp waaraan ik zelf een kwart eeuw geleden toebehoorde. De zijde waar het dragen van waterafstotende kledij funest kon zijn voor je krediet in de fietsensliert naar school en in de klas zelf – toen en nu.
En op het gevaar af voor overloper uitgemaakt te worden: die diepgewortelde afschuw voor het regenpak is te verklaren.
In de eerste plaats is daar het esthetische argument. Regenpakken staan zelden goed. Dat is geen verwijt aan de ontwerpers, die doen vast hun best om de snit hip en comfortabel te maken, maar aan de ouders. Vaak wordt de aanschaf van zo’n slechts sporadisch gebruikt polyesterpakje door hen gezien als een noodzakelijke investering die jaren mee moet. Voeg daarbij de omstandigheid dat het gemiddelde puberlijf nu eenmaal groeit als tuinkers in natte watten en ziedaar: regenpakken die veel te groot (want op de groei gekocht) zijn, waarin scholieren zich in een wolk van vormeloosheid voortbewegen, als wapperende tunneltenten op wielen. Óf ze zijn veel te klein; optrekkende jacks en broeken als leggings met knellende elastieken die nog slechts de helft van de jeans afdekken.
Maar er speelt nog iets – en dat woog voor mij destijds zwaarder: met een regenpak liet je zien dat je niet alleen gezwicht was voor het barre weer, maar óók voor de druk van je ouders. In de schoolbanken was een met regenwater doordrenkte spijkerbroek een bewijs van moed, een certificaat van onbuigzaamheid. Een klam, koud en plakkend symbool van verzet.
En van naïeve koppigheid, voeg ik daar nu vanuit de loopgraven van Team Regenpak aan toe.