Even buiten het dorp, aan het eind van een onverhard pad, staat sinds enige tijd een Coca Cola-koelkast. Het is een vervreemdend beeld: dat hardrode geval, te midden van boomsingels en weideperceeltjes waarin pony’s grazen.
Ik wist niet beter dan dat die frisdrankkast vol zat met boeken. Hij vormde, samen met een houten geval ernaast, de minibieb van Joke, die ertegenover woont. Streekromans-to-go. Maar zonet liep ik er aan voorbij, gleden mijn ogen langs de inhoud en zag ik dat de leesstof op de onderste drie plateaus had plaatsgemaakt voor iets anders.
Twee verdiepinkjes bleken gevuld met voedingsmiddelen: een blik ingemaakte tomaten, aardbeienjam, thee, drinkbouillon, leverpastei – houdbare producten. Helemaal onderop waren verzorgingsproducten uitgestald. Ik zag shampoo, deodorant en gel. Linksachter, wat verdekt, bevond zich een doos met verpakkingen tampons en maandverband. ‘Bestrijd armoede’, had Joke met een dikke stift op een begeleidend briefje in de kast geschreven. ‘Heb je iets nodig en kan je het niet betalen, dan mag je het meenemen.’ En aan de binnenkant van de deur stond onder ‘Jokes minibieb’ nu ook ‘Jokes meeneemkast’.
Het fenomeen van de schattige straatbibliotheekjes is bekend. Dat van de mini-voedselbank nog niet, maar dit zou zomaar kunnen veranderen, zei Joke vanuit de deuropening. Als eigenaar van een privé-boekenuitleen heeft ze geregeld contact met andere initiatiefnemers, bijvoorbeeld over het uitwisselen van het assortiment, en in die groep had op een gegeven iemand moment geopperd kastruimte vrij te maken voor voedsel – niet voor de geest, maar nu voor de maag.
Dat idee vond vruchtbare grond binnen de gemeenschap van minibiebs – een groep die toch al een intrinsieke wens deelde iets voor een ander te willen betekenen en nu ook verbonden bleek in verontwaardiging over het lot van minima. Ook Joke, klein van stuk, maar met een groot hart, nam maatregelen.
Ze leegde de plateaus met boeken met een Friestalige en christelijke inslag – die werden het minst uitgeleend – en legde er etenswaren en verzorgingsspulletjes in. Niet zonder twijfel. Want, vroeg ze zich in alle eerlijkheid af, zou het écht voorzien in een behoefte? Híer?
Het wrange antwoord liet niet lang op zich wachten.
Op een vrijdagmiddag, Joke zag het toevallig gebeuren, hield een auto halt voor de Coca Cola-kast. Een moeder en twee kinderen stapten uit. Ze kwamen niet van hier, dat was Joke wel duidelijk, vermoedelijk hadden ze haar Facebookberichtjes over de meeneemkast gezien. De vrouw vertelde niet lang geleden haar baan te zijn kwijtgeraakt. Zonder voedselbankinitiatieven, de officiële, maar ook guerrilla-exemplaren als die van Joke, kon zij onvoldoende in het levensonderhoud en dat van haar kroost voorzien.
De moeder nam een zak erwtensoep uit de meeneemkast.
Meer niet.
En toen gingen ze weer.
Het verhaal had Joke geraakt. De manier waarop mensen blijkbaar in een oogwenk in de problemen konden raken. Hoe hoog de nood kon zijn, ook hier, ook nu – alle sociale vangnetten ten spijt. En hoe open de moeder over haar situatie sprak.
Ik keek nog eens naar de meeneemkast. Een voorziening die vanzelfsprekend nooit nodig zou moeten zijn. Maar zolang de nood er was, liet die minibiebs er dan maar in helpen voorzien, in bermen, op straathoeken, langs wegen, vaarten en paden.
Als stille bakentjes van warmte en medemenselijkheid.