Als je vroeger de wijk uit liep, voorbij de sporthal en langs de openbare basisschool, stuitte je op een bruggetje over wat wij ‘De Waterlossing’ noemden, een brede sloot die de zuidelijke dorpsgrens definieerde.
Voorbij die brug hield de bewoonde wereld op en begon het duister. Dat wil zeggen: een schier oneindig, onverlicht schelpenpad, aan weerszijden omzoomd door brede stroken woekerend, ondoordringbaar struweel.
Die groene tunnel had een grote aantrekkingskracht op ons, dorpskinderen. Logisch. Juist op plekken die aan het oog van ouders, ja aan de openbaarheid waren onttrokken was het ‘t fijnst spelen.
Het wemelde langs het schelpenpad dan ook van de geheime hutten: uitgehakte open ruimtes in de struiken, vol rotte planken, beduimelde lappen landbouwplastic en snoepwikkels. Links en rechts was de grond zwartgeblakerd – overblijfselen van de vele stiekeme fikkies die er werden gestookt, met heimelijk uit de keukenla meegesmokkelde doosjes lucifers. Het rook er naar verkoold hout, naar brandnetels en naar drek. De geur van avontuur.
Want iedereen wist ook dat je hier op je hoede moest zijn. Iedereen kende de dubieuze status van dit niemandsland. Eens in de zoveel tijd staken verhalen de kop op over vieze mannen die zich óók in dit struikgewas zouden schuilhouden. Schimmige types met druppels kwijl onder hun kin, die, zo werd gefluisterd, er niet voor terugdeinsden hun blote zaakje aan passanten te laten zien, of dat nou fietsende dames waren of spelende kinderen.
De getuigenissen hierover waren hardnekkig en serieus. Zodanig, dat de autoriteiten op een gegeven moment tot actie besloten. Zo kon het dat kinderen op een ochtend merkten dat hun hutten waren verdwenen. Dat gemeentelijke snoeiploegen hun knipscharen rigoureus in de bosschages hadden gezet en de verstopplekjes van gisteren ineens zichtbaar waren, zelfs vanaf de verderop gelegen openbare weg.
Volgens mij vond niemand dat erg.
Want door al dat gekortwiek waren misschien de meeste hutten weggevaagd, maar tegelijkertijd was ook de elke dekmantel voor smeerlapperij weggenomen. Eenmaal in het volle licht bleek de onderduimse potlooddrift ineens beteugeld.
Langzaam verdween de opschudding naar de achtergrond en ging het dorp weer over tot de orde van de dag.
Hier moest ik aan denken, de afgelopen weken, waarin de schandalen over seksueel grensoverschrijdend gedrag zich aaneenregen, waarin de ene bekentenis de volgende leek uit te lokken en ze ineens omtuimelden als dominostenen, de mannen met hun fallusfoto’s, hun machtsmisbruik en hun elastische seksuele moraal.
De mannen in de bosjes van vroeger bleken nu ineens vervangen door kerels op kantoren, in studio’s, in ivoren torens, lieden die zich onaantastbaar en onbespied waanden achter dikke digitale deuren, veilig verstopt in het dichte struweel van hun telefoons.
Tot nu. Want langzaam komt een beweging op gang waarin slachtoffers durven op te staan. Waarin ze hun digitale snoeimessen ter hand nemen en het verhullende loof wegknippen, net als destijds rond het schelpenpaadje gebeurde, twijgje voor twijgje, struik voor struik, tot van de schuilplaatsen van hun achtervolgers weinig meer over is.
Tot er niets meer rest dan de schaamte van het volle licht.