Nooit zouden we toetreden tot een buurtapp, alsjeblieft zeg. Die bestond eenvoudigweg ook niet, in onze oude straat. Met veertien adressen was zoiets volstrekt onnodig.
Als de pakketdienst je met een mysterieus poststuk opzadelde, als je steeksleuteltje 13 niet kon vinden, of als je iets niet vertrouwde op de hoek van de straat, dan ging je langs, van deur naar deur, achterom uiteraard, en schoenen uit bij de drempel, net zo lang tot zaken waren geregeld of opgeklaard.
Nee, voor écht nabuurschap hadden wij geen digitale vraagbaak, geen prikbord achter een icoontje op onze telefoons nodig, snoefden we.
Vrienden en collega’s die er wél ervaring mee hadden sterkten ons daarin. Wees blij met een leven zonder buurtapp, zeiden ze, het is immers toch maar een bron van ergernis. Een hoop gebliep uit je telefoon, het carnaval der wissewasjes, een grote berg piepschuim met slechts sporadisch een relevante mededeling daartussen.
Ping! ‘Wie heeft Norbert, onze lapjeskat gezien?’
En dan zesentwintig rinkeltjes met ‘Wij niet’ of ‘Wat sneu’.
Maar goed, dat was toen. Het is deze week precies een jaar geleden dat een graafmachine een begin maakte met een diepe kuil aan de rand van het dorp. Het was maandagvroeg, zeven uur, we hadden met ons vijven speciaal de wekker gezet om van dichtbij te kunnen vastleggen hoe het ding de allereerste laag van het veld schraapte – ik zie de machinist nog verbaasd opkijken van zoveel belangstelling. Maar hij was dan ook niet bezig met zomaar een gat. Op de bodem ervan zouden weldra de fundamenten van ons nieuwe huis worden gelegd, zoals links en rechts van ‘onze’ kuil al huizen in verschillende bouwstadia uit de aarde verrezen.
Vroeger was dit het hoofdveld van de plaatselijke voetbalclub, hier en daar stuitte de graafmachine nog op oude drainagebuizen. Ik dacht aan de mensen die zich de komende maanden op dit terrein zouden vestigen, bekenden uit het dorp, zeker, maar ook gezinnen van verder - aangewaaide zaden, klaar om te kiemen in pas omgewoelde grond.
In de maanden die volgden, werden de eerste onwennige verbanden gelegd. Kleinschalig, met praatjes over de schutting en één-op-één-borrels, maar al snel ook overstijgend. Zo kwam er een kennismakingsmiddag op het centrale veld, met een foodtruck en veel zelfgemaakte taarten, een middag die een onvoorzien vervolg kreeg met een all-you-can-eat barbecuebachanaal.
Hoogtepunt daarbij: de gekke buurman die bij het uitbreken van een knetterende onweersbui zijn caravan pontificaal in het feestgedruis parkeerde en een klein luifeltje uitrolde. Met veertig man, twee rokende barbecues en een moddervette geluidsinstallatie opeengepakt schuilen voor dezelfde bui: lallend sloegen we onvermoede bruggen.
Er kwam een buurtcomité. En ja, er kwam ook een buurtapp.
Eerlijk oordeel? Het ís wennen. Al die obligate duimpjes als een verdwaald poststuk bij de rechtmatige eigenaar is beland, voor mij hoeft het nog steeds niet. Maar het lukt me steeds vaker om daar doorheen te kijken. Om dat gekwetter te beschouwen als vroege levenstekenen van een buurt in wording.
Dat we bij elkaar achterom komen is nog slechts een kwestie van tijd.