Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen. Foto: Marcel Spanjer
De komende jaren neemt het aantal studenten in Groningen flink af, blijkt uit cijfers van DUO. De RUG probeert het tij te keren. Bijvoorbeeld door het toelatingsproces voor masters te versimpelen.
Het aantal Nederlandse scholieren neemt de komende jaren af. Dat is een landelijk beeld dat vooral wordt veroorzaakt door vergrijzing: er worden minder kinderen en dus minder scholieren geboren. Die ontwikkeling is niet nieuw, maar uit de meest recente cijfers blijkt dat de krimp groter is dan verwacht.
Vereenvoudiging toelatingsproces masters kan krimp tegengaan
Reden voor de universiteit om het tij te willen keren. Een van die ‘knoppen’ waar de RUG aan draait, is het versimpelen van het toelatingsproces voor masteropleidingen. Veel RUG-studenten vertrekken na hun bachelor naar het westen voor een master. Door het toelatingsproces aan te passen, hoopt de RUG studenten hier te houden.
Wie aan de RUG een bachelor Natuurkunde heeft gedaan, stroomt nu zonder problemen door naar een master Natuurkunde aan dezelfde universiteit. Maar zodra je die bachelor ergens anders hebt gedaan, in België of in Duitsland bijvoorbeeld, wordt het lastiger om hier een master te doen.
„In de Wet Hoger Onderwijs staat dat je een aanverwante opleiding moet hebben gedaan. Daar zit best wat ruimte in. Maar onze toelatingseisen zijn nog vrij strak geformuleerd. Je kunt ook zeggen: ‘Als je deze master wil doen, verwachten we deze voorkennis’. Dan ligt de verantwoordelijkheid meer bij de student”, legt senior beleidsadviseur Anna Marije van der Leest van de RUG uit. „We willen onnodige drempels weghalen.”
Het is dus niet zo dat je straks zonder opleiding geneeskunde, een medische master kunt gaan doen. „We verlagen nadrukkelijk niet het onderwijsniveau”, benadrukt haar collega Arnold Veenkamp toe.
Vierduizend studenten minder?
Dacht de RUG eerder nog 34.400 studenten te verwelkomen in 2030, nu ziet het ernaar uit dat het er 30.300 zullen zijn. Volgens Veenkamp heeft dat verschillende oorzaken. „Wij hebben relatief veel buitenlandse studenten. Die instroom gaat fors omlaag. Deels omdat we minder werven in het buitenland maar ook door de veranderende ideeën rond internationalisering in Nederland.”
Veenkamp doelt hiermee op plannen van eerdere kabinetten om het aantal studenten uit het buitenland fors terug te dringen. Bijvoorbeeld door Nederlands weer de voertaal te maken op de universiteit. Die wet is nog niet aangenomen, maar het beeld dat internationale studenten niet welkom zijn in Nederland is de grens al overgewaaid. „Omdat ons aandeel buitenlandse studenten groot is, treft die afname ons hard.”
Wat in Groningen ook speelt, is dat studenten na hun bachelor naar het westen trekken om daar een master te doen. „Vaak omdat ze denken dat ze daar sneller een baan vinden”, zegt Van der Leest.
De cijfers, gebaseerd op allerlei ingewikkelde berekeningen, kunnen uiteindelijk altijd mee- of tegenvallen. Toch zijn ze belangrijk. Op basis van die ramingen krijgen onderwijsinstellingen geld. Kleinere studentenaantallen betekenen bijvoorbeeld ook dat het voortbestaan van sommige opleidingen in het geding komt.
Meer keuzevrijheid
Naast de toelatingseisen kijkt de RUG ook naar mogelijkheden om minorenpakketten te verruimen, zodat studenten tijdens hun bachelor kunnen voorsorteren op een iets andere master dan het gebaande pad. Dat geeft keuzevrijheid. Minoren zijn de bijvakken die je tijdens een opleiding kunt kiezen.
Daarnaast kijkt de Groningse universiteit naar samenwerkingen met hbo-instellingen in het Noorden zoals de Hanze, NHL Stenden Hogeschool en Windesheim. „Daar valt voor ons veel te halen”, zegt Van der Leest. „Kom je nu van een hbo-opleiding, dan moet je vaak een pre-master doen. Dat vraagt veel van een student. Je moet dan bijvoorbeeld een halfjaar of een jaar extra onderwijs volgen, zonder dat je recht hebt op studiefinanciering. Maar wat als we een soort indaalprogramma opzetten die tijdens de hbo-opleiding gevolgd kan worden? Dan kunnen studenten rechtstreeks doorstromen.”
Sommige van de plannen zijn makkelijker uit te voeren dan andere. Maar Veenkamp en Van der Leest hopen voor het studiejaar 2026-2027 de eerste vruchten te kunnen plukken van nieuw beleid.