Catriene Thuring is dierenarts en het hoofd van de Centrale Dienst Proefdieren in het UMCG. Foto: Corné Sparidaens
Muizen, ratten, vissen: de Rijksuniversiteit Groningen en het UMCG gebruikten in 2024 veel minder proefdieren dan in de jaren daarvoor. Toeval, expres of een beetje van allebei? En kunnen we in 2025 nou nog steeds niet zonder?
Het is een soort muizenflat. Een groot rek met daarin tientallen plastic bakken. Af en toe flitst een roze snoetje voorbij. Of een lange staart. Soms zie je pootjes die tegen het plastic duwen of zwarte kraaloogjes die nieuwsgierig naar buiten gluren.
De ‘flat’ staat in een van de ruimtes van de Centrale Dienst Proefdieren in het UMCG. Alleen in dit kamertje wonen zo’n 250 muizen. De dieren worden gebruikt voor allerlei vormen van onderzoek en onderwijs voor de faculteiten Science and Engineering en Medische Wetenschappen. Denk aan onderzoek naar hartfalen, diabetes, kanker, nier- en leveraandoeningen, Alzheimer en Parkinson.
De RUG en het UMCG gebruikten in 2024 een stuk minder proefdieren dan voorgaande jaren, zo blijkt uit het proefdierjaarverslag over 2024. De dalende trend is sinds 2019 zichtbaar, maar de sprong tussen 2023 en 2024 is opvallend: van 14.721 dierexperimenten naar 10.553.
Vier ratten kijken nieuwsgierig rond. Ze verblijven in doorzichtige kunstof bakken. Foto: Centrale Dienst Proefdieren, UMCG.
Waar komt die daling vandaan?
Daar zijn verschillende redenen voor, weet Catriene Thuring, hoofd van de afdeling. Zo is de afgelopen jaren wereldwijd veel vooruitgang geboekt in de ontwikkeling van proefdiervrije methoden. Denk aan het gebruik van geavanceerde computermodellen of organoïden. Dat zijn klompjes cellen in een kweekschaaltje die kunnen uitgroeien tot een soort mini-orgaantjes. Soms is het een kwestie van een andere optie vinden, zoals het gebruik van varkensharten afkomstig van een slachthuis.
Ook richten de Groningse onderzoeksinstellingen zich op het terugdringen van het aantal gefokte dieren dat uiteindelijk niet voor een experiment wordt gebruikt. Bijvoorbeeld met cryopreservatie: het invriezen van eicellen, spermacellen of embryo’s om dna te bewaren.
Het terug willen dringen van het aantal proefdieren is niet nieuw. Sinds de jaren ‘70 bestaat in Nederland de Wet op de dierproeven, bedoeld om de dieren te beschermen. Dierproeven moeten goed onderbouwd zijn en aan allerhande regels en voorwaarden voldoen.
Als een proef bijvoorbeeld met 200 muizen gedaan kan worden, mag een onderzoeker niet 201 muizen gebruiken. En als er een geschikte alternatieve methode beschikbaar is, dan mogen er géén levende dieren worden gebruikt voor het experiment.
Toch is er tussen 2023 of 2024 niet iets spectaculairs uitgevonden of gedaan waardoor het aantal proefdieren plotseling zo hard is gedaald. „Soms is het gewoon een samenloop van omstandigheden. Bijvoorbeeld doordat een groot onderzoeksproject is afgelopen”, legt Thuring uit. „Daarom kunnen we geen voorspellingen doen over 2025, ondanks het feit dat we bijna aan het eind van het jaar zitten. De aantallen kunnen behoorlijk wisselen.”
De muizen bij de Centrale Dienst Proefdieren hebben verschillende soorten speeltjes in hun hokken. Denk aan kartonnen rolletjes, slaaphokjes, loopwieltjes en papiersnippers waar ze nestjes mee kunnen maken. De muizen zitten in 'digitale kooien' die sensoren bevatten die veel informatie over de dieren vastleggen. Foto: Centrale Dienst Proefdieren, UMCG.
‘Voor onze onderzoekers zijn dieren géén instrument of een ding’
Wie in het UMCG loopt, of op de Zernike Campus (bij de Linnaeusborg is de proefdierfaciliteit van de RUG gevestigd), verwacht misschien niet dat er duizenden proefdieren in de buurt zijn. En wie een klinisch gebouw voor zich ziet met witte muren waar onderzoekers in labjassen voor de lol in dieren prikken, heeft het mis. „Voor onze onderzoekers zijn dieren géén instrument of een ding. Het zijn dieren met intrinsieke waarde. Ze zijn waardevol voor onderzoekers om antwoord te krijgen op belangrijke wetenschappelijke vragen.”
Binnen de CDP zorgt een team, de Instantie voor Dierenwelzijn, ervoor dat de dierproeven volgens vooraf geschreven plannen worden uitgevoerd en het lijden voor de proefdieren minimaal is. „Dit gebouw bij het UMCG is speciaal daarvoor ontworpen”, zegt ze.
Elke verdieping heeft een eigen kleur en het klimaat in alle ruimtes is van A tot Z te regelen. Op de gangen ruikt het licht naar zaagsel en schoonmaakmiddel. De hokken zijn schoon. Sensoren houden de bakken nauwkeurig in de gaten. De temperatuur is stabiel, er is 12 uur per dag licht en 12 uur per dag duisternis, het eten en drinken wordt gesteriliseerd en de lucht gefilterd. De maatregelen zijn deels bedoeld om te zorgen dat de dieren niet ziek worden door invloeden van buitenaf, maar ook om ze een zo’n fijn mogelijk leven te geven.
„Goed voor de dieren zorgen is voor ons heel belangrijk”, zegt Thuring die in een speciaal groen pak door de gangen van haar afdeling loopt. Met gewone kleren mag je hier niet naar binnen. Op een van de gangen staat een soort grijze ijzeren bak met rood licht. Daarin staan een paar bakken met muizen. „Die zijn net geopereerd en mogen daarom rustig bijkomen in een extra warme omgeving.”
Thuring opent een grote deur waar allerhande voorraden achter staan opgeslagen. Ze houdt een bak bedding omhoog, een soort papieren zaagsel dat op de bodem van de plastic bakken ligt voor de muizen en de ratten. Het is zacht. De muizen kunnen spelen met een kartonnen rolletje, een nestje bouwen met papieren confettisliertjes of dutten in een holletje.
Er zijn ruimtes waar witte ratten met felrode ogen verblijven in soortgelijke stellingen. De meeste liggen rustig te slapen. Beneden is een complete aquariumkamer waar water door verschillende tankjes met zebravissen stroomt. Een team van getrainde proefdierverzorgers controleert de dieren en hun hokken dagelijks. „Ook in de weekenden en tijdens feestdagen.”
Volgens Thuring wordt heel zorgvuldig met de dieren omgegaan. Zo beschikt de proefdierfaciliteit van UMCG onder meer over een CT- en MRI-scan om bepaalde processen in de dieren te monitoren. „We hoeven dus niet te opereren om te zien of een tumor groeit of krimpt.”
Na een onderzoeksproject worden de meeste proefdieren gedood. Sommige onderzoekers delen hun proefdieren, waardoor er minder nodig zijn.
In enkele gevallen kunnen de dieren achteraf worden geadopteerd, zo blijkt uit het proefdierjaarverslag. Het gaat dan om dieren bij de RUG die onder ‘semi-natuurlijke omstandigheden gehouden worden’. In 2024 werden 51 zebravinken, 22 rotsduiven en een bankiva kip geadopteerd. De universiteit gaf 181 rijstvogels terug aan de kweker en liet 140 stekelbaarzen in de natuur vrij.
Catriene Thuring is hoofd van de Centrale Dienst Proefdieren, UMCG. Foto: Corné Sparidaens
Dierenarts die met proefdieren werkt?
Thuring, opgegroeid in Brabant, is opgeleid als landbouwhuisdierenarts. In 2002 begon ze als proefdier-dierenarts in Groningen. En ja, de vraag hoe je als dierenarts – die erg van dieren houdt – kunt werken bij een proefdierfaciliteit komt regelmatig voorbij als Thuring op een feestje is. „Mensen reageren vaak dat ze tegen dierproeven zijn. Of ze hebben een bepaald beeld dat niet klopt. Bijvoorbeeld dat wij proefdieren inzetten om make-up te testen, terwijl dat in Nederland verboden is. Mijn drijfveer is met kennis over gezondheid en welzijn het verschil kunnen maken voor de dieren”
Ze hoort weleens dat mensen denken dat wetenschappers de alternatieven voor dierproeven niet willen. „Die zijn er toch, waarom gebruik je die niet? Maar die zijn niet voor elke vraagstelling geschikt. Het is niet zo dat onderzoekers graag dierproeven gebruiken. Sterker nog: het is best een ingewikkelde en kostbare manier om wetenschappelijk onderzoek te doen.”
En toch blijven dierproeven zielig. Zijn ze anno 2025 echt nog nodig? „Ja. Complexe ziekten zoals kanker en infectieziekten vereisen inzicht in het samenspel tussen verschillende organen, en bijvoorbeeld de bloedbaan en het immuunsysteem. Dit kan alleen worden onderzocht in een levend organisme”, legt Thuring uit.
Op de vraag of ze denkt dat er ooit een tijd komt dat dierproeven helemaal niet meer nodig zijn, schudt Thuring nadenkend het hoofd. „Ik hoop het wel. Maar ik zie het niet zo snel gebeuren. Als dat lukt, duurt het in ieder geval nog jaren.”
Ook de ratten hebben speelgoedjes, al zijn deze iets groter dan die van de muizen. Foto: Centrale Dienst Proefdieren, UMCG.