Internationaal Econoom Steven Brakman (Rijksuniversiteit Groningen) Jaspar Moulijn
De prijzen van olie en gas schieten omhoog door de oorlog in het Midden-Oosten. Maar welke financiële gevolgen komen daar mogelijk nog bij? Internationaal econoom Steven Brakman (RUG): „Voordat je dit terugziet in de supermarkt, kan er maanden overheen gaan.”
De energieprijzen blijven flink stijgen door de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran én de Iraanse tegenaanvallen, die olieproductie en -aanvoer in de regio ernstig verstoren. Iran blokkeert al dagen de Straat van Hormuz, een zeestraat van nog geen 40 kilometer breed maar wel het belangrijkste knelpunt in de wereldwijde energiehandel.
De gevolgen zijn al te merken aan de benzinepomp. Maar welke economische gevolgen kunnen we nog meer verwachten?
„De hamvraag is: hoe lang gaat dit duren?”, vertelt hoogleraar internationale economie Steven Brakman. „Komt er aankomende week een einde aan de oorlog, dan is het alleen een schok voor de wereldeconomie geweest. Duurt het maanden, dan hebben we een probleem.”
Vuistregel voor gevolgen
Als de oorlog langere tijd aanhoudt, kun je volgens Brakman op basis van historische gegevens een goede inschatting maken van de economische gevolgen.
Een vuistregel is dat per 10 procent stijging van de olieprijs er 0,3 tot 0,4 procentpunt inflatie bijkomt. „Nu de olieprijs ongeveer 30 tot 40 procent hoger ligt dan vóór de oorlog, betekent dat wereldwijd zo’n anderhalf tot twee procentpunt extra inflatie.”
Dat effect is zo groot omdat fossiele energie in vrijwel alle sectoren van de economie een rol speelt. „Het wordt gebruikt bij de productie van kunstmest en bijvoorbeeld cement en plastic”, zegt Brakel. „Olie en gas zijn niet alleen belangrijke energiebronnen, maar ook grondstoffen voor veel producten.”
Zelfs producten waarin geen druppel gas of olie zit, kunnen dus duurder worden. „Neem aardappelen. Via de transportkosten werkt zo’n prijsstijging alsnog door.”
De energieprijzen reageren relatief snel op veranderingen, maar andere producten volgen pas later. „Voordat je dit terugziet in de prijzen in de supermarkt, kan er maanden overheen gaan. Dat heeft vooral te maken met contracten en voorraden.” Pas wanneer bedrijven nieuwe, duurdere grondstoffen moeten inkopen, beginnen prijsstijgingen breder door te werken in de economie.
Een marineschip vaart begin maart 2026 door de Straat van Hormuz, een cruciale zeeroute waar een groot deel van ’s werelds olie en gas doorheen gaat. Foto: Sahar Al Attar (AFP)
‘Duur van conflict bepaalt de schok’
Hoe groot de economische schade uiteindelijk wordt, hangt vooral af van de duur van het conflict, benadrukt Brakman. Een kortdurende escalatie kan de wereldeconomie waarschijnlijk opvangen, al zullen consumenten tijdelijk hogere brandstofprijzen zien. Maar als het conflict maanden aanhoudt, kan de hogere inflatie zich verankeren: prijzen lopen niet alleen tijdelijk op, maar blijven structureel hoger.
Daarmee dreigt het gevaar dat vakbonden hogere lonen gaan eisen en bedrijven die loonkosten weer doorberekenen: de zogenoemde loon-prijsspiraal. „Dat is precies waar centrale banken alert op zijn”, zegt Brakman. „Een incidentele olieprijsstijging negeren centrale banken vaak, maar als het langer duurt en de inflatie oploopt, gaan ze de rente verhogen. En dat wil je niet.”
Een hogere rente raakt niet alleen bedrijven, maar ook huishoudens: van duurdere hypotheken tot hogere kosten voor leningen en een afkoelende economie waarin investeringen worden uitgesteld. Ook pensioenfondsen kunnen worden geraakt als financiële markten langere tijd onder druk staan.
Wat we wél meenemen uit zo’n crisis, is het besef dat we minder afhankelijk moeten zijn van die paar kilometers zeestraat.
Als het conflict snel eindigt en de scheepvaart door de Straat van Hormuz weer op gang komt, blijft het volgens Brakman vooral bij een tijdelijke schok waar de wereldeconomie van kan herstellen.
„Wat we wél meenemen uit zo’n crisis”, benadrukt hij, „is het besef dat we minder afhankelijk moeten zijn van die paar kilometers zeestraat. Zelfs als de oorlog eindigt, blijft de urgentie om te investeren in alternatieve energiebronnen overeind.”