Johan Remkes heeft een 'constructief gesprek' gehad met de boeren en het kabinet. Ze zijn het bijvoorbeeld eens dat de nadruk in het stikstofdebat verlegd moet worden van 'depositie' naar 'emissie'. Wat bedoelt hij daarmee? Een uitleg van het ambtelijk jargon.
is een kleurloos, reukloos gas. Ongeveer 75 procent van de atmosfeer bestaat uit N. Op zichzelf doet N niets, maar het kan reageren met andere stoffen. De verbindingen die daardoor ontstaan, staan aan de basis van veel milieuproblemen waarmee we nu te maken hebben.
ontstaan bij verbrandingsprocessen, met name als fossiele brandstoffen hoge temperaturen bereiken. Dan vindt er een chemische reactie plaats tussen stikstof (N) en zuurstof (O) met als resultaat stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO). Samen noem je die stikstofoxiden (NOx).
is ook het resultaat van een chemische reactie, ditmaal van stikstof (N) en waterstof (H). Het ontstaat wanneer mest en urine zich vermengen op stalvloeren en bij het uitrijden van mest op het land.
is een mengsel van minuscule deeltjes in de lucht. Het bestaat voor een belangrijk deel uit stikstofverbindingen die worden uitgestoten door industrie, landbouw en verkeer. Die minuscule stikstofdeeltjes zijn slecht voor onze longen: ze dringen er heel diep in door en kunnen ontstekingen veroorzaken.
De uitstoot
wordt gebruikt om te omschrijven hoeveel van een bepaalde stof er in de lucht zit.
is een ander woord voor uitstoot. De landbouw stoot met name ammoniak uit, stikstofoxiden komen vooral van verkeer en industrie. Nadat ze zijn uitgestoten kunnen de deeltjes in de lucht zitten (zie ‘concentratie’), maar ook op de grond of op planten terechtkomen (zie ‘depositie’).
Als stikstof in de vorm van ammoniak of stikstofoxide op de grond neerslaat, noem je dat ook wel . Dat kan op twee manieren. vindt plaats als het regent: dan komen de stikstofverbindingen met het regenwater op de grond terecht. Op 8 meetpunten heeft het RIVM speciale instrumenten voor het meten van natte depositie. gebeurt door wervelingen van lucht. Die wervelingen zijn er voortdurend en ze kunnen de stikstofverbindingen meenemen tot op de grond. Op dit moment zijn er 5 meetpunten waarop het RIVM instrumenten heeft om droge depositie te meten, maar dat aantal wordt binnenkort uitgebreid tot 10.
Het meten
Het is het luchtmeetnet van het RIVM, waarmee de concentratie van onder meer fijnstof en stikstofdioxide in de lucht wordt gemeten. Het is van belang om de luchtkwaliteit te meten omdat er gezondheidsrisico’s ontstaan als er teveel vervuiling in de lucht zit, bijvoorbeeld in de vorm van smog. Het LML bestaat uit 44 RIVM-meetpunten. Op de website www.luchtmeetnet.nl vind je naast de RIVM-gegevens ook luchtmetingen van andere organisaties.
Speciaal voor ammoniak is er het . In 105 gebieden in Nederland (80 natuurgebieden, 18 landbouwgebieden) hangen verspreid over 300 meetpunten in totaal 500 buisjes, die de concentratie ammoniak in de lucht meten. Het RIVM meet ammoniak ook op zes meetpunten van het LML met lichtbundels (DOAS). Ammoniak kan (samen met stikstofoxiden) schadelijk zijn voor planten als het neerslaat op de grond. Op Europees niveau hebben landen met elkaar afgesproken dat ze hun kwetsbare natuurgebieden daartegen beschermen.
Het gevolg
Wanneer stikstofverbindingen uiteindelijk in de bodem terechtkomen, treedt een proces op dat of heet. Vergelijk het met het toevoegen van kunstmest aan je tuinaarde of potgrond: er komen meer voedingsstoffen in. Meer voeding klinkt gunstig, maar er zijn plantensoorten die juist een arme of schrale grond nodig hebben. Die soorten overleven het niet als de grond steeds mestrijker wordt. En als die plantensoorten verdwijnen, dan ook de dieren die zich ermee voeden. Zo komen complete ecosystemen in gevaar.
Voor alle plantensoorten in Natura 2000-gebieden is door ecologen een bepaald. Komt het gehalte ammoniak in het gebied boven die KDW, dan verandert de vegetatie en verdwijnen de soorten die slecht tegen een verzuurde bodem kunnen. Dat proces kan weer worden teruggedraaid als de concentratie en depositie van stikstof afneemt. Voorwaarde is natuurlijk wel dat de verdwenen begroeiing intussen niet helemaal is uitgestorven.