Janny Peltjes, CEO van HLB in Wijster: ,,Het moet beter en ik ben er heilig van overtuigd dat het beter kan." Foto: HLB
Hoewel gedeputeerde Gert-Jan Schuinder pas in november het projectplan presenteert van de Drentse lelie, zijn de telers zelf al bezig de stap te maken naar de toekomst. De motor achter de verduurzamingsslag van de boeren is het Hilbrands Laboratorium (HLB) in Wijster.
Dit jaar heeft elk van de achttien lelietelers minstens één perceel ingeruimd voor de ‘duurzame’ leliebol. Volgend jaar zullen dat minimaal drie percelen zijn. Het zijn de stappen naar lelievelden waarop aanmerkelijk minder wordt gespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Al spreken ze bij Hilbrand Laboratorium liever van ‘minder milieu-impact’.
Want als je minder chemische middelen gebruikt, maar veel vaker met de trekker en wiedeg het land op moet om het onkruid mechanisch te bestrijden, dan moet je de transportkosten en de CO2-uitstoot van de dieseltractoren natuurlijk ook meetellen. Dat wordt uitgedrukt in milieu-impact.
Peperdure licenties
Over drie jaar van nu moet de lelieteelt qua gebruik van bestrijdingsmiddelen op hetzelfde niveau zitten als de teelt van aardappelen. Dat hebben de telers met de provincie Drenthe afgesproken. Een deel van hen zit overigens al op dat niveau. Een aantal moet nog forse stappen zetten in reductie van de gewasbeschermingsmiddelen.
Voor deze laatste groep zijn de investeringen fors. Zij moeten overstappen op nieuwe soorten lelies, die beter bestand zijn tegen ziekten en plagen. Dat kost geld. Want de licenties voor het (exclusief) gebruik van nieuwe, meer resistente soorten zijn in veel gevallen peperduur. Soms meer dan 100.000 euro. Het kost bovendien drie tot vier jaar om een nieuwe soort op te kweken voor de verkoop. Dat zijn verlieslijdende jaren voor deze telers.
Blaren op hun tong
Maar de tijd dat CEO/ oprichter Janny Peltjes en projectleider/ onderzoeker Ben Seubring van HLB in Wijster de blaren op hun tong moesten praten om de telers achter hun ‘hervormingsagenda’ te krijgen, ligt al ver achter hen. Inmiddels zijn alle boeren wel doordrongen van het feit dat het duurzamer moet. Minder gebruik van schadelijke middelen, meer oog voor mens, natuur en ook de maatschappelijke opinie.
Een mooi moment om de tussenbalans op te maken met Peltjes en Seubring. Waar staat de lelieteelt in Drenthe nu en wat zijn de stappen die nog gezet moeten worden om te komen tot een ‘duurzame’ lelie?
Kilo’s in plaats van milieu-impact
Even terug naar 6 juni van dit jaar. Toen presenteerde HLB in een overvolle evenemententent op het eigen terrein de resultaten van het programma ‘Duurzame Bollenteelt Drenthe’. Twee punten sprongen eruit in de levendige discussie naderhand.
1. Hoe kunnen de resultaten van de onderzoeken transparanter worden gecommuniceerd? 2. Kan de reductie van gewasbeschermingsmiddelen ook worden uitgedrukt in kilo’s in plaats van in milieu-impact, want dat spreekt bij mensen meer tot de verbeelding.
Projectleider Ben Seubring van HLB. „Onder de tien kilo gewasbeschermingsmiddelen per hectare moet zeker haalbaar zijn." Foto: HLB
En dus leggen we deze vragen nu ook maar voor aan het duo van HLB. In 2020 werd volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) per hectare lelies gemiddeld 114 kilogram aan gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, het grootste deel daarvan (circa 70 procent) is minerale olie.
Die 114 kilo is een gemiddelde voor heel Nederland. In Drenthe waren dergelijke hoeveelheden bestrijdingsmiddelen nooit aan de orde. In de humusrijke Drentse zandgronden is de lelie beter gewapend tegen schimmels en virussen.
„Het is lastig om een exact gewicht te noemen, omdat het per perceel en per leliesoort nog wel verschilt. Maar ik vermoed dat we nu nog maar op zo’n 20 kilo aan gewasbeschermingsmiddelen per hectare lelies zitten”, stelt Seubring, „met een marge van 10 kilo erboven of eronder.”
Ter verduidelijking. De paraffineolie, bedoeld om schadelijke bladluizen te weren, telt Seubring niet mee bij deze 20 kilo. Het CBS rekent er echter wel mee. Minerale oliën beslaan zo’n 70 procent van de gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt.
In Drenthe gaat het debat altijd over de leliebol, nooit over de bloem zelf. De ‘broei’ van lelies vindt veelal in het buitenland plaats. Foto: Marcel Jurian de Jong
De discussie over minerale olie in de CBS-cijfers, irriteert Peltjes. In de lelieteelt geldt minerale olie als een gewasbescherming. In de aardappelteelt staat exact hetzelfde middel te boek als ‘biologisch’.
Ik vind dat je appels met appels moet vergelijken en peren met peren
„Die 114 kilo van het CBS zijn een geheel eigen leven gaan leiden”, constateert Janny Peltjes. „Het beïnvloedde de beeldvorming op een negatieve manier.”
„Ik vind dat je appels met appels moet vergelijken en peren met peren. Als minerale olie niet meetelt in de aardappelteelt als gewasbescherming, dan ook niet in de lelieteelt. Dit is zo’n voorbeeld van doorgeschoten regelgeving in Nederland”, stelt ze.
Hoe dan ook. Waar staan we over enkele jaren als het om de kilo’s gewasbeschermingsmiddelen gaat? Wat is de stip op de horizon? „Onder de 10 kilo per hectare moet zeker haalbaar zijn”, zegt Seubring. Een tikkeltje aarzelend kijkt hij naar zijn directeur: „Of verklaren ze me dan voor gek. Janny?” Die reageert beslist: „Nee, zeker niet.”
Daarmee is twistpunt nummer twee uit de bijeenkomst van 6 juni wel beantwoord. Blijft staan: de transparantie. Hoe open kan en wil je zijn over de resultaten die geboekt worden bij de reductie van chemische middelen, de milieu-impact, de C02-footprint?
„Het is de bedoeling dat we straks aansluiten bij de biodiversiteitsmonitor akkerbouw (BMA). Daar werkt een aantal telers en de provincie ook al mee. We kunnen dan ook een goede vergelijking maken tussen de lelieteelt en andere gewassen in de akkerbouw, waarvan de data al in het systeem zitten”, aldus Seubring.
De BMA meet met acht kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) hoe telers bijdragen aan gunstige omstandigheden voor biodiversiteit op en rond het akkerbouwbedrijf. Nadeel alleen: het datasysteem is niet voor iedereen vrij toegankelijk. Alleen voor de agrariërs zelf en ketenpartijen en betrokken overheden.
Score-dashboard
Dat botst wellicht met de oproep vanuit burgerinitiatief Meten=Weten en sommige politieke partijen in het Drents Parlement om zoveel mogelijk deuren van boerenschuren open te zetten. „Je kunt wel zien wat er gemeten wordt, maar het is geen openbare database. Omdat die informatie voor mensen zonder kennis lastig te interpreteren is”, zegt Seubring.
Er wordt wel gewerkt aan een zogeheten score-dashboard. „We willen de prestaties van de agrarische bedrijven weergegeven in scores. Stel je scoort slecht op gewasbeschermingsmiddelen, dan krijg je een 2. Stel je doet het goed, dan scoor je wellicht een 8 of 9. Maar de gegevens worden wel geanonimiseerd. We moeten nog uitvogelen hoe we dat het beste kunnen doen”, aldus Seubring.
Bevlogenheid en passie
Al vele jaren zet het Hilbrands Laboratorium in Wijster zich in voor de landbouw in het algemeen en de lelieteelt in het bijzonder. Niet uit commerciële motieven. Integendeel, zegt directeur Janny Peltjes. Het is vooral vanuit bevlogenheid en passie voor de agrarische sector.
„Landbouw is één van de belangrijkste pijlers onder de samenleving, maar de sector moet wel constant blijven innoveren. Het moet beter en ik ben er heilig van overtuigd dat het beter kan. De landbouw onderuithalen door steeds maar dingen te verbieden, draagt mijns inziens niet bij aan de oplossing. Dan gooi je het kind met het badwater weg.”
De introductie van de nieuwe Drentse leliebol. Rechts teler Gert Veninga, links schaatsster Irene Schouten. Foto: Rens Hooyenga
De Drentse lelieteelt geldt wellicht als lichtend voorbeeld, meent Peltjes. „We hadden ook kunnen zeggen: de lelieteelt is zó omstreden, daar branden we onze vingers niet aan. Maar tegelijkertijd hadden we ook zoiets van: als we de lelieteelt drastisch kunnen vergroenen, dan lukt het in alle teelten.”
Inmiddels is er landelijk aandacht voor wat er gebeurt op de akkers in Drenthe. Bij de presentatie van de duurzame Drentse leliebol, ruim een maand geleden, rukte de nationale pers massaal uit naar Smilde. „SBS6, BNN/VARA, NOS, RTL4 en de landelijke kranten: iedereen was geïnteresseerd in ons verhaal”, constateert Janny Peltjes tevreden.
De media waren echt verrast
„De reacties waren eigenlijk opvallend positief. De media waren echt verrast. Zo van: fijn dat er nu eindelijk iets positiefs gebeurt na alle negatieve verhalen over de landbouw.”
Peltjes beseft dat er nog een lange weg te gaan is en dat er altijd tegenstanders zullen blijven van de sierteelt. „Maar laten we in gesprek blijven we met elkaar en vooral niet in paniek raken. Want dan worden vaak de verkeerde conclusies getrokken. Wat dat betreft is iedereen welkom bij ons voor een gesprek. De deur van HLB staat altijd open.”
Nieuws van alle kanten
In een serie interviews en artikelen buigt DVHN zich over de discussie rond de bollenteelt. Daarbij belichten we het onderwerp vanuit zoveel mogelijk verschillende invalshoeken. Eerder interviewden we huisarts Evelien van Soldt uit Wapserveen, spraken we met natuurbeschermer Geert Starre, de Belgische toxicoloog Jan Tytgat, wetenschapsjournalist Simon Rozendaal, assistent-Professor Lolke Braaksma, wetenschappers van het RIVM en Ctgb en burgerinitiatief Meten=Weten.