Lamert Kieft döt verslag van de gebeurtenissen in zien woonplaots, argens in Zuudwest-Drenthe. Beeld: Coen Berkhout | Midjourney
Toen het verleden week zo sneeuwde, stond de patatesbakkert Jantienus Schut alias Jan Eulie in de dorpsmond dan ook eenzaam en verlaten in diens kraam, daar het hem ontbrak aan klandizij op de Brink alhier.
Slechts plichtsbesef hield de bakkert Eulie op de been, daar het zijn taak is om onder alle omstandigheden de behoeftige medemensch van een snelle hap te voorzien, zonder persoon des aanziens.
Deze mooie opstellink werd beloond, toen er toch nog een klant stopte, en wel een zware zestienkleps BWM 367i. Na voor de poelegrap een fraaie pieröette (hetwelk de eeuwige kwajongen toont) te hebben uitgevoerd op het besneeuwde wegdek, bleek dit uitgestapt zijnde een heerschap met een bontmuts op plus dikke doch duffelse ski-jas alsmede een zonnenbril boven een rossige stoppelenbaard.
Skiën in Drenthenland
„Goedemiddag, meneer Olie!” riep het heerschap, „hoe maakt u het, wat wat?”, en even diens bril optilde. „Het is mij, meneer Olie”, zei hij, „Mijne Willem A.!” Ja verduld, het was inderdaad Zijne Willem A. der Nederlanden enz. enz., welke zoals bekend bij ons in de contreinen een bescheiden zomerhuisje heeft en vaak even incognito langskomt voor wat te eten bij de kraam.
„Uwe Willem!”, aldus de verraste patatesbakkert Jan Eulie, „ziew oes ok nog ies! Kerel, man, ik miende al daj dood waren!”, aldus hij. „Ik en Max zijn vandaag met de meiden wezen skiën in Drenthenland, meneer Olie”, aldus Zijne Willem A, „een uurtje verderop, op de Hondsrug (gem. 20 m. boven NAP!, red). Potverjeetje, daar waren een paar pittige afdalingen bij hoor, kan ik u verzekeren! De meiden wilden natuurlijk direct de zwarte piste af, maar dat heb ik ze verboden; je hoeft het ook niet op te zoeken, wat u”, aldus de hooggeplaatste gast.
Strik erom
„Ik overdrijf natuurlijk een beetje, meneer Olie”, vervolgde hij, „Liever had ik naar de Alpen gegaan, maar ja, dan moet je het volk weer eens horen murmureren: zitten wij tot aan de oortjes in de winterse ellende met mekaar, gaat hij er weer lekker vandoor; lekker de mindere man weer met de rotzooi zitten laten. Beste maar weer! Ik kan u de krantenkoppen al wel weer uittekenen. Soms meneer Olie, hè, soms ben ik dat hele koninkrijk wel zó zat dat ik overweeg het hele zwikje te koop te zetten in de Teligraaf: ‘t.k. 1 prima Koninkrijk t.e.a.b., k.k.’. Wie 3 euri 75 biedt of meer is gelijk spekkoper, meneer Olie; ik zweer het u. Inpakken en een strik erom, wegwezen met die handel”, waar de patatesbakkert Eulie veel begrip voor had.
„Patatbakkers hebt het seins ok lange niet makkelk Uwe Willem heur”, aldus hij, „hoe vake ik wel niet uutscholden word veur vetkleppe en puddingpèense, nou, dat wi’ j niet weten. Maar had Uwe Willem ammit iets willen eten?”, wat zeker het geval was.
Braodworsies veur ’t griepen.
„Ik heb Max en de meiden afgezet bij het huisje en ben effe doorgereden om wat te eten te halen”, aldus Zijne Sire enz. enz. „Meneer Olie, mag ik van u: vijf patates, vijf langen en vijf eh… hoe noemt u dat ook alweer, berelullen, alles met dubbel pudding alstublieft. En oh ja: één portie helemaal vegan, graag. Alles mag bij elkaar in hoor, maar wel gaarne twee braadworstjes even nog los verpakken. Voor onderweg, dalijk”, welke door Jan Eulie werd samengevat: „Vief patat, vief frikandellen en vief berehappen, alles met dubbel mayo. Eén portie vegan. En twei braodworsies veur ’t griepen. Mag daor ok ’n likkie pudding bij? Even een moment geduld heur, ’t kump der zo an”, en Jan Eulie alles sissend in de frituur glijden liet.