Een foto van de opgraving van hunebed D26 in het Drouwenerveld, meer dan 55 jaar geleden. Foto: Jan Albert Bakker
Jan Albert Bakker was in de dertig toen hij leiding gaf aan het allerlaatste, grote graafonderzoek naar een hunebed in Nederland. Op zijn 90ste schreef hij er een boek over.
Het is een mijlpaal in de Nederlandse archeologie. ‘Hunebed D26 in het Drouwenerveld’ heet de tweedelige studie. „Het is een pak van mijn hart dat het boek er eindelijk is”, zegt Jan Albert Bakker (90). „Ik ben erg blij met het resultaat.”
In 1968 en 1970 leidde de archeoloog uit Baarn de opgraving van hunebed D26 in het Drouwenerveld. Dat was de laatste keer dat er in Nederland een hunebed volledig binnenstebuiten werd gekeerd. Nu, ruim 55 jaar later, zijn de resultaten gepubliceerd. En ze zijn online voor iedereen toegankelijk.
De nu 90-jarige archeoloog, emeritus universitair hoofddocent van de Universiteit van Amsterdam, geldt tot ver over de grenzen als autoriteit op het gebied van hunebedden en de Trechterbekercultuur. Hij werkte tussen 1990 en 2020 aan zijn boek over het prehistorische grafmonument.
Ingewikkeld verhaal
„Daarna besloot de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dat mijn nogal lange zinnen verknipt moesten worden”, zegt Bakker. „Evert van Ginkel is gevraagd om het toegankelijker te maken. Dat is goed gelukt.” Waarom het zo lang geduurd heeft om de onderzoeksresultaten te boekstaven is „een ingewikkeld verhaal”.
Jan Albert Bakker bij de presentatie van zijn boek over hunebed D26 in het Hunebedcentrum in Borger, in januari. Foto: Hunebedcentrum Borger
Het begon al met de opgraving zelf. „We hoopten dat het oudste materiaal onderin de grafkelder zou liggen en het jongste bovenin”, zegt de archeoloog, die 32 jaar was toen de opgraving in 1968 van start ging. „Maar zoals in veel grafkelders van hunebedden lag alles door elkaar.”
Eerder graafwerk door dieren en mensen had de bijzettingen uit de eeuwen dat de grafkelder in gebruik was door elkaar gehusseld. In en rond het graf werden onder meer aardewerk, vuurstenen pijlpunten, bijlen, houtskool en barnstenen kralen gevonden. „Alles sorteren was al een enorme klus”, vertelt Bakker.
De schervenpuzzels leverden zo’n 165 potten op. „Later kwam ik erachter dat het schrijven van zo’n enorm boek ook veel tijd kost”, vertelt Bakker. Hij publiceerde ondertussen wel zo’n 120 artikelen over de opgraving. Bakker: „Voornamelijk voor spreekbeurten op congressen in Duitsland en Nederland.”
Hunebed in Noordlaren
In 1957 was Bakker als student ook al betrokken bij de opgraving van hunebed G1 in Noordlaren. „Ik kwam net uit militaire dienst”, vertelt hij. „Daar heb ik geleerd om grond te schaven met schaafscheppen.” Die opgraving werd geleid door Albert Egges van Giffen, de legendarische Groningse archeoloog.
Hunebed D26 zoals het er tegenwoordig bijligt in het Drouwenerveld. Foto: DvhN
Van Giffen (1984-1973), die ook wel de ‘vader van de hunebedden’ werd genoemd (en in Drenthe ‘oes spittertien’), was in 1968 en 1970 ook regelmatig in het Drouwenerveld te vinden, net als Willem Glasbergen (1923-1979), die andere grote hunebedkenner uit de vorige eeuw. Bakker had de dagelijkse leiding.
„Van Giffen was een formidabele persoonlijkheid”, zegt Bakker. „Een moeilijke man soms, maar hij had ook een enorme charme.” Glasbergen was Bakkers leermeester en leidinggevende aan het Instituut voor Prae- en Protohistorie in Amsterdam. „Ik heb ontzettend veel van hem geleerd.”
Een keienstraatje
Bakkers studie bevat een gedetailleerde analyse van het hunebed en beschrijvingen van alle vondsten. De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed sprak bij de presentatie van een ‘uniek standaardwerk’ van ‘groot cultuurhistorisch belang’.
Er staan ook enkele bijzondere ontdekkingen in, zoals een keienstraatje dat tijdens de opgravingen werd blootgelegd. „De basis van het hunebed ligt dieper dan het toenmalige grondoppervlak”, vertelt Bakker. „Er liep een keienpaadje naartoe.”
Het keienstraatje is aangelegd bij de bouw van het hunebed in 3300 voor Christus. „Het plaveisel was een naar beneden duikende weg die bij het hunebed aankwam”, vertelt Bakker. Bij het straatje lagen ook potscherven die daar opzettelijk zijn achtergelaten, waarschijnlijk een ritueel gebruik.
Grote afstand in tijd
Aan theorieën over wat de hunebedbouwers bewoog bij het bouwen van hunebedden of de betekenis van het keienstraatje, waagt Bakker zich niet. „Je kunt je een hoop dingen indenken, maar 5000 jaar is een grote afstand in de tijd. We kunnen niet weten wat die mensen in hun hoofd hadden toen ze dit bouwden.”
Daar komt bij dat wetenschap veranderlijk is. „Over 20 jaar zal de probleemstelling weer heel anders zijn”, zegt Bakker nuchter. De resultaten van de opgraving bij hunebed D26 zijn daarbij dankzij zijn boekwerk nu ook voor latere generaties archeologen beschikbaar.
Komen er nog meer publicaties ? „Ik ben nu bezig met iets heel anders”, vertelt Bakker. „De geschiedenis van Elten, een Duitse enclave in Zuidoost-Nederland, die tussen 1949 en 1963 bij Nederland hoorde. Eén ding is zeker: er komen geen hunebedden in voor.”
Voor de opgraving van het hunebed werden destijds de dekstenen verwijderd. Foto: Fred Gijbels
Boek
Hunebed D26 in het Drouwenerveld is verschenen in de reeks Nederlandse Oudheden. Het is gratis te downloaden via cultureelerfgoed.nl.