Anne Nijzingh, het oudste lid van Shakespearetheater Diever. Hij deed in 1946 mee in de eerste voorstelling 'Midzomernachtdroom'. Foto: Marcel Jurian de Jong
Bijna 80 jaar geleden was Anne Nijzingh (93) een vuurvliegje. „Helemaal in het zwart, met een fietslampje op het hoofd”, vertelt het oudste lid van Shakespearetheater Diever.
Het was de eerste voorstelling ooit van de toneelvereniging, vlak na de oorlog, in 1946. Gespeeld werd Een midzomernachtdroom, het toneelstuk van William Shakespeare dat in november weer op de rol staat. „Zwarte gymnastiekschoenen. Zwarte maillot van de gymnastiekvereniging Willen Is Kunnen. En een capuchon, gebreid van blauw garen.”
Anne Nijzingh was destijds 14 jaar. ,,Onze gezichten waren ook donker gemaakt. Die capuchon had mijn moeder gebreid. Die had je bij de winterdag op met schaatsen. Om dat lampje zat een rondje van zilverpapier. Batterijen met een schakelaar in de zak. De draden liepen achter het oor langs, bij de muts in.”
Hij zit in zijn stoel voor het raam, in het huis dat hij 62 jaar geleden zelf ontwierp en bouwde. „Ik betaalde 6 duizend gulden voor de grond en 40 duizend voor het bouwmateriaal! Wij hadden een bouwbedrijf: Nijzingh en Zonen. Mijn vader maakte de banken voor die eerste toneelvoorstelling: twee paaltjes met een dwarsplank, en daar een steigerplank op van 20 centimeter.”
In de tuin van zijn ouders
Het is een grijze dag, begin oktober. Anne Nijzingh kijkt naar buiten. „Ik zit hier in de tuin van mijn vader en moeder. Zij woonden vooraan in de Brinkstraat in Diever.” Hij wijst. „We hadden de tuin tot net aan de bocht, daar verderop. Daar hadden we de aardappels staan. Hier stonden fruitbomen. En voor hadden we een groentetuin.”
Die vuurvliegjes waren geen personages in Midzomernachtdroom maar een creatieve oplossing voor een technisch probleem, bedacht door de regisseur, dokter Dirk Broekema. „We waren de eerste keer met vier vuurvliegjes en een jaar later met zes. Onze taak was om zaken op het toneel te brengen en eraf te halen.”
Hulpkrachten voor tussentijdse decoraanpassingen dus. „We moesten door elkaar lopen, niet bij elkaar. En dan onder een boom door het toneel op. En als je een bank of iets anders mee moest nemen vanaf het toneel, niet meteen af, maar eerst naar een andere hoek. Een beetje beweging, zweven zoals vuurvliegjes dat doen.”
Er werd veel geïmproviseerd die eerste keer, herinnert hij zich. ,,De hertog droeg een rood tafelkleed als mantel. Dat had hij van iemand in Diever geleend. We hadden geen kostuums, zoals later.” Hij wijst naar twee toneelfoto’s die aan de muur in de woonkamer hangen. ,,Mijn vrouw Pina. Zij heeft 30 jaar meegespeeld. Altijd hoofdrollen.”
Anne Nijzingh: „Met ons bouwbedrijf hebben we veel voor het theater gemaakt. Banken, gebouwen." Foto: Marcel Jurian de Jong
11 jaar geleden overleed ze. „Pina zat in Dwingeloo al bij het toneel. Daarmee speelde ze een keer in Diever voor de zangvereniging, en daar was Broekema naartoe geweest. Toen ik in 1961 met haar trouwde, kwam hij haar direct vragen: ‘Jij moet bij ons in het theater komen.’ Ze speelde heel goed, ze was één van de toppers.”
Hele familie bij het theater
Ook hun kinderen deden mee aan de toneelvoorstellingen. „We waren met de hele familie bij het theater. Ik had drie zussen en twee deden ook mee. En Mans, mijn broer, ook.” En dat allemaal dankzij dokter Broekema. „Als Broekema hier niet was gekomen, was dit nooit gebeurd.”
Dirk Broekema kwam in 1946 naar Diever, als de nieuwe dorpshuisarts. „Je had hier het onderduikershol. Daar werden ook piloten gebracht die gewond waren. Die werden door Broekema’s voorganger, Van Nooten, verzorgd. Ze werden verraden door een jongen die brieven rondbracht voor de ondergrondse.”
De jongen was opgepakt door de Duitsers en wees onder dwang de onderduikersplek in het bos aan. „De onderduikers zijn naar Duitsland gebracht en niet teruggekomen. Net als de broers Eggink. Wij kenden ze goed. We bouwden voor ze in Wapse en hielpen ook wel mee met oogsten.”
Ook dorpsarts Sebastiaan van Nooten en politieagent Gerrit Temmingh werden afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme. „Temmingh is teruggekomen, als enige. Die andere jongens zijn allemaal in Duitsland overleden. Van Nooten verzorgde zelfs in het kamp nog mensen die ziek waren. Hij leefde nog met de bevrijding, maar overleed aan paratyfus.”
Een Duitse officier in huis
Nijzingh serveert neuriënd koffie met een koek. Op de salontafel staat een stapeltje onderzetters met affiches van voorstellingen van het Shakespearetheater Diever. Romeo en Julia, Driekoningenavond. Hij moet nog een fotoalbum hebben. „Ik heb gezocht, maar ik kan het nergens weervinden. Misschien heb ik het uitgeleend. Van de vuurvliegjes zijn trouwens geen foto’s.”
Hij redt zich nog goed in zijn eentje. „2 uur in de week heb ik hulp voor het stofzuigen en het natte gedeelte: zij sopt de wc en badkamer uit. Als ze een keer niet kan, doe ik het zelf. En om 12 uur brengen ze warm eten uit Vledder. Dat kwam eerst uit Dwingeloo, toen kon je nog kiezen uit drie menu’s. Nu is er nog maar één.”
Anne Nijzingh (links) als tamboer in 'Hamlet', in 1950. Foto uit het boek 'Speelkwartier. Zestig jaar toneelvereniging Diever 1946 - 2006.'
Zijn kinderen komen regelmatig langs en zijn zoon helpt met de tuin. Wat hem zwaar valt, is het alleen zijn. „Dat is het ergste, vooral als ik ergens geweest ben en van alles heb gedaan. Dan kom ik thuis en kan ik geen woord wisselen. Dat mis ik echt.” Geestelijk is hij gelukkig nog haarscherp. ,,Ik weet alles nog.”
Neem de oorlogsjaren. „Ik was nog een kwajongen in die tijd. Er werd een Duitse officier ingekwartierd bij ons in huis. Die kwam aan tafel zitten en kreeg koffie met koek van mijn moeder. Dan praatte hij met ons. Hij was zó tegen Hitler. En hij wilde zó graag naar huis. ‘Die hele oorlog hoeft voor mij niet’, zei hij.”
Een grote kuil
Ook de eerste jaren van de toneelvereniging staan hem nog scherp voor ogen. „Broekema werd gevraagd door de Oranjevereniging om een toneelstuk op te voeren in Diever.” De bedoeling was om dat in een plaatselijk etablissement te doen. „Hij plaatste een advertentie in het Dievers blaadje en daar kwamen heel veel aanmeldingen op.”
Toen kwam Broekema met het idee om het in de buitenlucht te doen. „Hij stuurde de familie Ter Laan, die veel wandelde, op pad om een geschikte plek te vinden. Zij kwamen met de plek in het bos waar de toneelvereniging nu nog steeds zit. Dat was destijds een grote kuil, met aan beide kanten een schuine helling.”
De struiken in de kuil werden gekapt en er werd een provisorisch podium gebouwd. Nijzinghs vader maakte banken om op te zitten. „Het plein dat nu de parkeerplaats is, werd vroeger altijd gebruikt voor blokgooien. Klobbegooien noemden ze dat ook wel, of bolderen. Met een ronde paal waar geld op lag, en een ronde kei.”
Dokter Broekema leidde de vereniging met strakke hand, vertelt Nijzingh. „Hij ging het toneel op en liet zien hoe je moest lopen. Hij deed de eerste jaren alles zelf en maakte ook foto’s. Daarmee liet hij zien wat er anders moest.” De regie voerde Broekema vanuit een boomhut en de koplamp van zijn motorfiets functioneerde als verlichting.
Anne Nijzingh: "Ik fiets op een driewieler en loop veel met de stok. Als ik weer val dan breek ik wat." Foto: Marcel Jurian de Jong
„Hij draaide ook grammofoonplaten voor de toneelmuziek. De platen en de apparatuur lagen op een tafel met een kleed. Daar legde hij ’s avonds plastic overheen, tegen de regen. Er waren twee boxen voor het geluid. Later werden er schijnwerpers in de bomen geplaatst. Broekema bediende ook zelf het schakelbord.”
De watersnood in Zeeland
Nijzingh kwam Broekema ook in een andere hoedanigheid tegen. „Bij de padvinderij sliep ik bij hem in de tent. Hij was hopman, ik was vaandrig en assisteerde hem in de leiding, tot ik in militaire dienst ging. Hij was streng. Alles moest goed gebeuren, zoals hij het wilde, en anders niet. Bij het toneel was hij rustiger.”
De eerste jaren speelde Anne Nijzingh regelmatig mee in Diever, steeds in kleine bijrollen. Zo was hij in 1950 tamboer in Hamlet. „In 1952 en ‘53 kon ik niet meedoen, want toen zat ik in militaire dienst. Ik was bij de genie in Wezep en ben ook nog 2 maanden in het rampgebied in Zeeland geweest, met de watersnood.”
Na zijn diensttijd deed hij nog maar sporadisch mee. „Ik ben nog een keer kapitein geweest in Driekoningenavond, in 1962. Maar het spelen was niet echt iets voor mij. Ik was liever achter de schermen bezig. Ik heb onder meer geholpen met de verlichting. Zat ik in een kist naast de souffleuse, Nell Meijboom, de vrouw van de burgemeester.”
Nijzingh was vooral als bouwer actief bij de toneelvereniging. „Met ons bouwbedrijf hebben we veel voor het theater gemaakt. Banken, gebouwen. Dat was betaald werk.” Nijzingh en Zonen speelde toch al een belangrijke rol in het dorpsleven. „Alle jongens uit het dorp die van de lts kwamen konden direct bij ons aan de slag.”
„Wij zeiden tegen hun ouders: ‘Stuur ze maar langs. En als ze later bij een andere baas meer kunnen verdienen, dan is dat goed. We kijken jullie er niet anders op aan.’ Veel jongens gingen later naar de Noordoostpolder. Daar konden ze meer verdienen. ’s Ochtends met de bus heen en ’s avonds terug.”
Bouwen voor dokter Broekema
Er was altijd wel werk, vertelt Nijzingh. „In Diever hebben we aardig wat huizen gebouwd. We hebben ook veel gedaan in Dwingeloo. En zomerhuisjes in Zorgvlied en op de Veluwe. Als je voor één bouwde, kwamen er ook anderen. We hebben nog eens een huisje gebouwd voor Joan Haanappel, de kunstschaatsster.”
Anne Nijzingh (boven) en zijn vader (beneden) bij de bouw van het theatergebouw in 1958. Foto uit het boek 'Speelkwartier. Zestig jaar toneelvereniging Diever 1946 - 2006.'
En voor dokter Broekema. „Hij wilde hierachter een nieuwe praktijk en zei: ‘Er is geen ander die bouwt als jullie. Ik hoef ook geen prijsopgave. Ik betaal materialen en uren en dan weet ik dat het bij jullie goedkomt.’ Later hebben we zijn woning ernaast ook gebouwd. Er was vertrouwen.”
De familie Nijzingh was heel actief in het verenigingsleven van Diever. „Ze kenden ons allemaal omdat we overal bij waren. Ik heb zelf alle sporten gedaan, behalve korfbal. Toen ik uit militaire dienst kwam, ben ik gevraagd als pompbediende bij de vrijwillige brandweer. Heb ik 32 jaar gedaan.”
Zijn vader was voorzitter van de muziekvereniging. „Zat ik ook bij. Slagwerk: eerst kleine trom, later grote trom. Ik heb ook routes uitgezet voor de wandeldriedaagse en fietsvierdaagse.” Ook voor de Historische Vereniging en het onderhoud van het onderduikershol in Diever verrichtte hij veel werk.
De donderdagochtendploeg
Maar de meeste tijd ging op aan het Shakespearetheater. „Ik was 57 toen ik stopte met werken.” Dat was in 1989. „Ik werd gevraagd of ik wilde helpen bij het onderhoud. Dat werd toen gedaan door Ab Masselink en Arend Naber. Ik heb gezegd: ‘We moeten een groep vormen.’ Dat werd de donderdagochtendgroep, met tien tot vijftien man.”
Elke donderdagmorgen kwamen ze bij elkaar voor onderhoudswerk en hulp bij de bouw van het decor. „Wij vroegen de regisseur en decorbouwer altijd om eerst een goed gesprek te hebben. Niet bezig gaan terwijl wij van niets weten. Zo zit de donderdaggroep niet in elkaar. Er moet gepraat worden, zodat wij ook inbreng hebben.”
De decorbouwers kwamen ook vaak even bij hem buurten voor bouwkundig advies. „Anne, wat denk je ervan? Altijd overleg plegen.” Tot zijn spijt gebeurde dat niet toen 10 jaar geleden het Globetheater werd gebouwd. „Ze hadden een ton kunnen bezuinigen als ze naar Moes in Geeuwenbrug waren gegaan.”
Nu kwamen de bouwers uit Duitsland, vertelt hij. „Kwamen ze ’s morgens aanrijden en ’s avonds weer terug. En het hout kwam uit Frankrijk. In Geeuwenbrug heb je iemand met een zagerij, die had voor Moes alles kunnen zagen. Moes had zijn eigen kraan kunnen gebruiken, nu moesten ze huren. Moes is niet te duur. En die jongens zijn goed en eerlijk.”
Geridderd door Hare Majesteit
Tot zijn 90ste liep Anne Nijzingh nog rond in het theater. „Ik ben ook nog verkeersregelaar geweest. En ik ben nog steeds lid. Ik ben ook ereburger van Diever en ben in het theater geridderd door Hare Majesteit. Hadden ze een hele lijst gemaakt met het vrijwilligerswerk dat ik gedaan heb.”
3 jaar geleden ging het mis. „Ik heb voedselvergiftiging gehad. We hadden hier een viszaak, die had de koeling niet goed. Ik bakte op zondag vis, stapte ’s nachts van bed af, lag ik op de grond. Ik kroop door huis en kwam niet meer overeind. Die viszaak is er toen trouwens ook meteen mee gestopt.”
4 dagen lag hij in het ziekenhuis. Zijn evenwichtsgevoel is aangetast. „Ik fiets op een driewieler en loop veel met de stok. Als ik weer val dan breek ik wat. Dus ik zei: ‘Ik kom niet meer verkeer regelen. Jullie moeten nou alles zelf doen. Ik kan jullie niet meer helpen.’ Het werd me net allemaal te veel. Ook omdat ik alleen was.”
„Als ik ga bellen dan staan ze allemaal voor me klaar. Dat weet ik." Foto: Marcel Jurian de Jong
Hij zingt nog wel. „Bij de Heeren van Diever. Elke donderdagavond repeteren we in het dorpshuis. Daar rij ik op de fiets naar toe. En als we uit zingen gaan, haalt iemand me op. We hebben wel vijftien keer per jaar een optreden. Appelscha, Steenwijk, Meppel. Wij zingen Nederlands en we zijn niet duur.”
Niet naar ‘Hømlet’
Stoelgymnastiek doet hij ook nog wekelijks. „Ringen, stok, bal, één uur per week. Sporten hè, en contact. Na die tijd een kop koffie drinken en dan weer naar huis. Gezelligheid.” En heel soms gaat hij naar de Historische Vereniging. „Als er een vergadering is of een andere bijeenkomst, twee keer in het jaar.”
Voorstellingen heeft hij de laatste jaren niet meer bezocht. „Als ik ga bellen dan staan ze allemaal voor me klaar. Dat weet ik. Maar dan denk ik: het wordt weer laat, dus nee. Ik kan het niet opbrengen. Mijn broer Mans is nog wel naar Hømlet geweest. Hij vond het mooi. Die woont in Dwingeloo. Hij is 8 jaar jonger.”
Met sommige mensen van de toneelvereniging heeft hij nog wel contact. En volgend jaar, als het Shakespearetheater uitgebreid stilstaat bij haar 80-jarig bestaan? „Ja, dan moet ik er wel naar toe.” Hij glundert. Anne Nijzingh koestert de herinneringen. „Genieten hè. Dat gaat niet meer weg. Die belevenis met elkaar. Hoe die mensen allemaal waren.”
Midzomernachtdroom
Midzomernachtdroom wordt opnieuw gespeeld op 13, 20, 21, 22, 28 en 29 november in het Globetheater in Diever. Op 18, 23, 24 en 25 oktober herneemt Shakespearetheater Diever daar Romeo en Julia. in 2026 wordt uitgebreid stilgestaan bij het 80-jarig bestaan van de toneelvereniging.
Paspoort
Paspoort: Anne Nijzingh
Geboren: 26 augustus 1932 te Diever
Opleiding: lagere school in Diever; leerlingstelsel in Diever (later ook lessen in de Ambachtsschool in Steenwijk)
Loopbaan: werkte 40 jaar in het familiebedrijf Nijzingh en Zonen; vrijwilliger bij Shakespearetheater Diever (sinds 1946), de brandweer (sinds 1955), Historische Vereniging Gemeente Diever, het Onderduikershol, Sportpromotie Diever (wandel- en fietsevenementen), tennisvereniging Diever
Onderscheidingen: ereburger van de gemeente Westerveld (2003), Lid in de Orde van Oranje-Nassau (2012)
Privé: weduwnaar van Pina Nijzingh-Broekman; twee kinderen (Henk en Frida) en drie kleinkinderen (Marjolein, Mathilde en Anne)