Møhlmann leidt rond in zijn museum. Foto: Anjo de Haan
44 collecties telt Museum Møhlmann. En alles grijpt in elkaar. Rob Møhlmann blijft doorverzamelen, om van zijn museum in Appingedam een blijvend kunstwerk te maken, ook als hij er zelf eens niet meer mocht zijn.
„Ik was een verlegen jongen. Ik durfde verbaal niet veel’’, vertelt Rob Møhlmann (70) over zijn tienerjaren, toen hij verzot was op stripalbums. „Maar op papier kon ik mij goed uitdrukken. Dan schreef ik striptekenaars aan, of ze mij een tekening wilden sturen; ‘want ik wil een museum beginnen’.’’
Iemand als Maarten Toonder beschouwde hij als ongenaakbaar. Toch verzon de jonge Møhlmann een list, door een eigengemaakt stripje te sturen, waarin de figuur Terpen Tijn zijn eigen geestelijk vader Maarten Toonder op de hak nam. Het werkte: Twee weken later kwam er een tekening met Heer Bommel binnen ‘voor Rob Möhlmann’. Uniek en persoonlijk. Nu prijkt het in een kabinetje vol strips, cartoons en andere originele tekeningen. Het vormt het begin van de verzamelwoede van Møhlmann en ook het begin van het museum van nu, waar hij ruim vijftig jaar geleden als tiener al aan dacht.
Van Marten Toonder ontving Møhlmann een persoonlijke tekening. Foto: Hans Wijninga
Realistische blik
Meer dan veertig verschillende collecties telt zijn verzameling inmiddels, variërend van Romeins glas en middeleeuwse beelden, via prenten van Albrecht Dürer en Lucas van Leyden, tot hedendaagse figuratieve kunst van bijvoorbeeld Matthijs Röling, Henk Helmantel, Lotta Blokker en Siemen Dijkstra. Figuratieve of realistische kunst, dat is wat Rob Møhlmann voorstaat.
Hij laat het zien aan zijn eigen bekende serie Canto, waarin hij telkens hetzelfde blikje schilderde. Bij een paar van die werken experimenteerde hij met een glazen pot, die voor dat blikje is neergezet: „Zo’n glazen pot is doorzichtig, en toch vertekent het beeld van dat blikje. Als ik dan water in die pot doe krijg je weer andere vertekeningen. Zonder de werkelijkheid te veranderen, verandert dat blikje voor onze ogen toch van vorm.’’
Voor zijn serie Canto schilderde Møhlmann hetzelfde blikje op telkens andere wijze. Foto: Hans Wijninga
Een andere eigenzinnige kijk op de kunst is te zien in het schilderij boven de bank, waar hij zich laat fotograferen. Je ziet meteen dat het een bloemstilleven is. „Maar dit is een ‘bovenafje’. Meestal is een stilleven recht van voren weergegeven, of van wat hoger. Maar dit is loodrecht van bovenaf. Dat komt in de kunstgeschiedenis verder niet voor’’, benadrukt hij zijn unieke aanpak. De titel is: Ja, ik haal al een lapje. Want op de vloer zijn allemaal gemorste waterdruppels. Dat is ook typisch Rob Møhlmann: het moet een verhaal vertellen.
Eerbetoon van kleinzoon
Hij neemt me mee naar een ruimte met kunst van Cees Busé (1891-1974), zijn opa. Van hem moet autodidact Rob Møhlmann het kunstenaarschap geërfd hebben, denkt hij zelf. Busé schilderde portretten, kleurrijke naakten en meer expressieve landschappen. Hij woonde in Haarlem en had er contact met vooraanstaande kunstenaars in die tijd, zoals Henri Boot en Kees Verwey. Helaas moest Busé in de crisisjaren zijn kunstenaarschap opgeven. Nu wordt hij geëerd met een eigen zaaltje in het museum van zijn kleinzoon, die zelf trouwens ook al vele jaren geleden gestopt is met schilderen, sinds in 2010 zijn vrouw – en muze – Laura overleed.
'Ja, ik haal al een lapje' is van bovenaf geschilderd, ongewoon voor een bloemenstilleven. Foto: Anjo de Haan
Møhlmann heeft wel eens gezegd, dat je geen kunstenaar ‘wordt’, maar altijd al bent. Hoe kun je dan het schilderen opgeven? „Dat is moeilijk. Maar ik schrijf. Ik maak gedichten. En dit museum’’, gebaart hij om zich heen, „is nu mijn kunstwerk.’’
Dat museum is steeds verder uitgebreid. Toen het in 2024 meer dan een jaar gesloten was, omdat het versterkt moest worden, heeft hij er nog enkele ruimtes bij gebouwd, onder meer voor zijn collectie middeleeuwse sculpturen. Een aantal daarvan staat in een kapelletje, dat hij speciaal bouwde van tufsteen en kloostermoppen. „Nu presenteer je die kerkelijke beelden in hun context. Kijk’’, wijst hij naar een rond gebrandschilderd glas in een glas-in-lood-venster: „het MoMA in New York heeft ook twee zulke glazen objecten uit de veertiende eeuw. Daar liggen ze in een vitrine. Hier zie je het ‘in functie’, verwerkt in een raam.’’
Mankes komt tot leven!
Ook dat tekent de eigenzinnige manier van presenteren door Møhlmann. Een bijzondere collectie is die van Jan Mankes. „Dit hebben Museum MORE of Belvédère niet’’, zegt Møhlmann in het Mankes-kabinet. „Ja, ze hebben schilderijen. Daar kun je naar Mankes kijken. Maar hier liggen zijn brieven, zijn grafische werk, zijn tekeningen en andere studies. Hier komt Mankes tot leven!’’, stelt Møhlmann. „Iedereen kent de geit van Mankes. Dat schilderij. Hier heb ik de tekening waar het allemaal mee begon. De ‘oergeit’ van Mankes. Kijk, die geit komt ook terug in andere grafische werken’’, wijst hij naar de wand.
De 'oergeit' van Mankes, die terugkomt in ander grafisch werk en schilderijen. Foto: Hans Wijninga
Een schilderij van Mankes heeft hij ook: een portret van zijn vrouw Anne. „Nou, het schilderij is nog in de fase van een opzet. Kijk, je ziet de potloodlijnen nog en de eerste aanzetten van verf. Je kunt meekijken met Mankes, hoe hij te werk ging.’’
Iets dergelijks gebeurt vaker in dit museum. Møhlmann laat de bezoeker dan zien, hoe een kunstwerk ontstaat, of hoe een kunstenaar tot een bepaald resultaat komt. Er zijn voorstudies en eindwerken. Of dwarsverbanden: „Op het kaartje in deze vitrine zie je dat Jan Mankes bij een kunsthandel in Haarlem exposeerde. Wie weet, heeft mijn opa dat wel gezien. In dit museum grijpt alles in elkaar.’’
In het museum toont Møhlmann ook werk uit zijn eigen serie 'Canto'. Foto: Anjo de Haan
Jong, vrouw, onbekend en een enorm talent
Momenteel richt hij een kabinet in voor Gretha Pieck (1898-1920). Ze was een nicht van Anton Pieck, van wie Møhlmann ook kunstwerken heeft (‘ja, alles grijpt hier in elkaar’). Ze stierf slechts 21 jaren jong. „Toen Jan Mankes in 1920 op 30-jarige leeftijd overleed, kwam dat in de krant. Gretha overleed drie weken eerder, óók aan tbc. Maar dat weet niemand’’, vertelt Møhlmann. „Natuurlijk: zij was nog zeer jong. Maar kijk eens wat ze al tekende rond haar 18de. Wat een kwaliteit. En hoe gevoelig. Er zit een soort Mankes-achtige stilte in.’’
Objecten uit het grootouderlijk huis van Møhlmann hebben een plek in het museum. Foto: Anjo de Haan
Een jonge, vrouwelijke kunstenaar, die nog niet bij een groot publiek bekend is, maar wel aandacht verdient. Het zijn ingrediënten waar musea tegenwoordig groots mee uitpakken. Ja, beaamt Møhlmann. Maar als éénmansmuseum ontbreekt het vaak aan tijd en middelen, om alles goed over het voetlicht te brengen. Wel denkt de onlangs 70 geworden Møhlmann vaker na over de toekomst van zijn museum. Dat het wellicht ook kan voortbestaan, mocht hij er zelf eens niet meer zijn. Daarom blijft hij ook doorverzamelen, veilingen afstruinen en collecties uitbreiden. „Dan is er voldoende ‘brandstof’ aanwezig voor telkens nieuwe exposities om dit museum te blijven voortzetten.’’
Tentoonstelling
‘Behoudt het schoone – een overzicht van 44 museumcollecties’. T/m 26 juli in Museum Møhlmann, Westersingel 104, Appingedam. Open: vr-zo 13-17.