Meijer ten Zijthoff uit Leeuwarden hoopt in het oorlogsarchief in Den Haag de laatste puzzelstukjes van zijn levensverhaal te vinden. Foto: MARCHJE ANDRINGA
Een flinke klap was het, toen Meijer ten Zijthoff (63) uit Leeuwarden van zijn halfbroer te horen kreeg over het ‘foute’ verleden van zijn familie van moederskant in de oorlog. Juist toen hij zich zo gevonden had in de Joodse achtergrond van zijn familie van vaderskant. In het recent geopende oorlogsarchief hoopt hij de laatste puzzelstukjes van zijn verhaal te vinden.
Als adoptiekind is het vinden van een antwoord op de vraag wie hij is belangrijk in het leven van Meijer ten Zijthoff. Door de jaren heen kreeg hij antwoorden die hem geluk brachten, maar ook pijn deden en tot het depressieve aan toe dreven. De laatste details van zijn familiegeschiedenis hoopt hij te vinden in het recent geopende oorlogsarchief, in Den Haag. Sinds de opening van dit archief is de rij wachtende geïnteresseerden groot. „Ik hoop dat ik daar zo snel mogelijk naartoe kan.”
Zijn leven begon in 1961, toen hij geboren werd in een tehuis voor ongehuwde moeders in Zetten. Na een tijdje waarin zijn moeder pogingen ondernam om hem mee te nemen, weg van het tehuis, kwam hij in een adoptiegezin terecht. Daar beleefde hij een stabiele jeugd, wonend op het Zeeuwse platteland. Tot het moment dat zijn adoptieouders gingen scheiden, waarna hij met zijn adoptiemoeder mee naar Leeuwarden verhuisde.
Dat was het startpunt van een roerige periode, waarin hij ook tijd in een internaat doorbracht . „Ik voelde me nergens echt thuis.” Hij was veel bezig met de vraag wie hij was. Met zijn biologische moeder bleef er contact, zij het onwennig. „Door mijn opvoeding in het adoptiegezin had ik een andere achtergrond gekregen, waardoor ik weinig binding met mijn biologische moeder had.”
De vraag wie zijn vader was liet hem al die jaren maar niet los. „Mijn moeder wilde er niets over kwijt, maar ik voelde dat er iets was. Ik had donker haar, als enige van mijn familie. Het was voor mij een zoektocht naar wie ik nou eigenlijk was.” In het weinige contact dat Ten Zijthoff had met zijn biologische familie ondernam hij pogingen meer te weten te komen over zijn achtergrond. „We weten het eigenlijk niet, en volgens mij je moeder zelf ook niet”, kreeg hij te horen.
Een halfbroer, met wie hij nog altijd goed contact heeft, wist in het midden van de jaren 90 iets meer bij hun gezamenlijke moeder los te krijgen. „Hij had wel altijd bij onze moeder gewoond en kreeg op die manier iets meer gedaan. Hij wist me te vertellen dat mijn vaders naam Robert Groen was, uit Amsterdam. Ik wist hem op te sporen en zocht contact met hem.”
Een DNA-test, een kostbaar middel in die tijd, gaf uitsluitsel. Het bleek een match: Ten Zijthoff had eindelijk zijn biologische vader gevonden.
„Ik was euforisch. Hij vertelde me over zijn Joodse roots en over zijn vader, mijn opa dus. Hij vertelde me ook over het Holocaustverleden van de familie Groen.” Het contact met zijn vader bracht Ten Zijthoff niet helemaal wat hij gehoopt had. „Hij wilde eigenlijk zo snel mogelijk van me af. Dat vond en vind ik nog altijd heel vervelend.”
Meijer ten Zijthoff bij een portret van zijn opa, Max Groen. Foto: MARCHJE ANDRINGA
Wat door deze ontmoeting sterk veranderde, was zijn gevoel van identiteit. „Voor mij als adoptiekind voelde het alsof ik eindelijk ergens bij hoorde. Ik kreeg er een stukje identiteit bij dat ik voorheen niet had. Dáár, bij die groep, daar was mijn plek.” Jarenlang verdiepte hij zich in zijn nieuwe familiegeschiedenis en bouwde daarmee een nieuw zelfbewustzijn op. Als eerbetoon aan zijn Joodse wortels wijzigde hij zijn naam in 2016 van Pieter naar Meijer, de naam van zijn opa.
Jaren later, rond 2015, werd dit zelfbewustzijn flink op de proef gesteld. „Mijn biologische moeder was altijd al erg boos op haar vader geweest, maar waarom wisten we niet. Totdat mijn broer bij me kwam: ‘Ik heb met ma gepraat’, zei hij. Toen vertelde hij over het NSB-verleden van haar familie uit Enschede.”
Dat nieuws was een flinke klap voor Ten Zijthoff. „Toen ik het hoorde was ik echt van slag. Ineens hoorde ik dat, dat is toch erg?” Zijn broer bezocht het Nationaal Archief en onderzocht in eerste instantie alleen het dossier van hun overgrootvader, de ‘pater familias’, „mijn opa en zijn broers waren immers nog jong in de oorlog.” Hij kwam terug met meer informatie. Overgrootvader bleek inderdaad NSB-lid te zijn geweest. „Mijn broer vertelde me dat het slechts ‘brood-NSB’ers’ waren geweest. Opportunisten, gewoon om er zelf beter van te worden. Niets bijzonders.”
Voor Ten Zijthoff maakte dat geen verschil. Hij werd neerslachtig en moest lang aan dit idee wennen. „Het voelde alsof er iets van mijn Jood-zijn werd afgehaald. Ik heb heel lang geworsteld met die ontdekking.” Na in een burn-out te zijn geraakt, besloot hij zijn levensverhaal op te schrijven. „Dat bracht me in het reine met mezelf. Ik was in de war over mijn leven en kwam daardoor niet toe aan de vraag wie ik nou eigenlijk was. Praten en het opschrijven van mijn verhaal was een uitlaatklep.”
In navolging op dit boek, Alles is nu, uitgekomen in 2018, besloot Ten Zijthoff verder uit te zoeken hoe het nou zat met het oorlogsverleden van zijn familie. Uit verschillende archieven diepte hij stukken op en reconstrueerde zo een beeld van beide families in de oorlog. „Ik heb in de afgelopen jaren een hoop ontdekt. Niet alles is zwart of wit, goed of fout. Ik ben er achter dat er veel grijstinten zijn, veel hangt af van keuzes en toevalligheden.”
Een voorbeeld? „Mijn Joodse opa, Meijer Groen (roepnaam Max) is opgepakt met zijn broertje Rudi toen hij tijdens de spertijd betrapt werd bij het indringen van een dichtgetimmerde woning van Joden die al waren afgevoerd. Mijn opa was de oudste, ik vermoed dat hij zijn broertje mee op sleeptouw nam.” Beiden werden opgepakt en na een tijdje gedeporteerd naar kamp Vught, om vervolgens door te reizen naar andere kampen. Zijn vader en oma bleven achter in Amsterdam.
De opa en een oudoom van Ten Zijthoff werden in 1943 gedeporteerd na opgepakt te zijn in Amsterdam. Ten Zijthoff vond het politieverslag van deze arrestatie in Amsterdamse archieven. Foto: MARCHJE ANDRINGA
Waar Rudi direct bij aankomst in kamp Sobibór op 9 april 1943 werd vergast, wist Max zes kampen te overleven. Met een leugentje kletste hij zich Operatie Bernhard in, een project van de nazi’s om valse dollars en Britse ponden te maken. Deze moesten uitgestrooid worden boven geallieerde gebieden om de economie te ontwrichten. De operatie mislukte, maar door zijn deelname wist Max de oorlog te overleven. „Door een foutje van mijn opa, na spertijd op straat zijn was immers verboden, werd zijn broertje ook gepakt en gedeporteerd. Hij kwam om het leven, mijn opa niet.”
Na verder onderzoek naar het oorlogsverleden van zijn andere familie, stuitte Ten Zijthoff op een bizar parallel. Uit archieven bleek dat het NSB-verleden van zijn familie toch iets gecompliceerder lag dan aanvankelijk gedacht. „Ik kwam er achter dat mijn opa bij de Kriegsmarine diende. Hij probeerde een paar keer te deserteren en zou na een laatste poging geëxecuteerd worden door de Duitsers, maar juist op dat moment werd hij bevrijd door de Canadezen.” Na de oorlog werd de opa van Ten Zijthoff voor het tribunaal gedaagd en veroordeeld.
Opa van moederszijde diende bij de Kriegsmarine en verscheen na de oorlog voor een tribunaal. Beeld: Delpher
Ook twee broers van zijn opa dienden in Duitse dienst. „Zijn broertje diende bij het NSKK [een bevoorradingseenheid], zijn andere broertje is als grenadierinfanterist op 9 februari 1944 gestorven aan het Oostfront, in Wit-Rusland vlak bij de Poolse grens. Dat gebeurde op zo’n 100 kilometer van Sobibór, waar mijn oudoom van Joodse kant gestorven is. Dat zijn toch rare ontdekkingen?”
Het verhaal van zijn beide families wil Ten Zijthoff optekenen in een boek. „Ik zie het zo dat ik de vloek heb doorbroken, mijn familiegevoel is sterk. Ik had nooit wortels in de grond, dat wil ik mijn nageslacht wel geven. Ik heb vier kinderen en negen kleinkinderen. Drie kleinkinderen zijn naar me vernoemd.” Hij laat een geboortekaartje zien van zijn recent geboren kleinzoon. Zijn tweede naam? Meijer. Glunderend: „Hoe trots kan je zijn als geadopteerde!”
Om dat boek te voltooien moet hij naar de archieven van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). „Het zou goed zijn als de archieven geheel opengegooid werden. Nu is er slechts een online namenlijst waarmee mensen aan de haal gaan, dat werkt niet. Daarnaast zijn er al veel openbare archieven waarin erg veel te vinden is. Je kan beter meer weten om zo een goed beeld te vormen.”
Hij wil graag zo snel mogelijk naar het archief in Den Haag, samen met zijn halfbroer met wie hij al die jaren zocht naar sporen van het verleden. Door de grote belangstelling sinds het openstellen van het CABR kan dat nog even duren. Ondanks de lange wachtrij kijkt hij er naar uit. „Daar kan ik de laatste details vinden, dat is waar de laatste puzzelstukjes zijn.”