Jan Roukema voor zijn woonwagen op De Kring, waar hij geboren en getogen is. Foto: Nienke Maat
Van een oud sloopterrein waar kriskras woonwagens stonden naar een heus centrum. Vijftig jaar jaar leven in een woonwagen. „We gingen van de hel naar de hemel.”
Een lange straat in grijstinten, aan beide kanten staan de woonwagens kaarsrecht. Stuk voor stuk voor stuk omheind door een ijzeren hekje dat uitnodigend open staat. Daarachter een trapje naar de voordeur. Dit is De Kring in Groningen, met ruim 300 inwoners.
„Misschien wel het grootste woonwagenkamp van Nederland, in ieder geval wel van het Noorden”, zegt Jan Roukema (67). Hij is er geboren en getogen. Ondanks de omvangstaan er tientallen mensen op de wachtlijst voor een plekje en liggen er plannen bij de gemeente voor dertig extra plekken.
Terug in de tijd
Vijftig jaar geleden moesten er twee woonwagencentra in de provincie komen, zo schreef Nieuwsblad van het Noorden op 27 december 1974. Groningen en Veendam waren de uitverkorenen, de kleinere kampen zouden verdwijnen. Uiteindelijk werd een streep door deze plannen gezet, reden voor de krant om toendertijd een ronde door Groningen te doen.
Het leverde geen vrolijk gezicht op, stelt de verslaggever. De plekken waren vies, vuil en smerig. De inwoners wantrouwden de overheid, de kinderen gingenniet naar school en het sanitair was ondermaats. Er liepen een hoop ratten, die de inspiratie vormden voor onderstaande illustratie bij het stuk van vijftig jaar geleden.
De illustratie bij het verhaal dat op 27 december 1974 in Nieuwsblad van het Noorden verscheen. Foto: archief DVHN
Terrein van het rondtrekkende volk
Door de jaren heen is het flink veranderd, ziet Roukema. Voordat De Kring er was, stonden de woonwagens aan een doodlopend weggetje bij de Peizerweg. Toen nog het terrein van het rondtrekkend volk: landarbeiders, stoelenmatters of oud ijzerhandelaren. Die trokken in hun woonwagen kriskras door Nederland, op zoek naar seizoenswerk.
In de winter streken ze neer bij de Peizerweg. Daar stonden niet alleen woonwagens, maar ook busjes en auto’s waarin mensenwoonden die in de stad geen onderdak konden vinden, blikt Roukema terug. De nozems en provo’s.Tussen de sloopauto’s en het oud ijzer maakten de mensen zonder vast huis hun tijdelijke thuis.
Na een ongeluk van Roukema’s vaderbleef het gezin daar vast. Steeds vaker bleven de woonwagens staan.
Als een soort poort stonden aan weerszijden van de weg twee toiletgebouwen. Eentje voor mannen en eentje voor vrouwen, al was het niet meer dan een hurktoilet met een gat in de grond. Van een douche was al helemaal geen sprake. Eens per week werd Roukema als kind gewassen in een grote bak met water. „We wisten toen niet beter.”
Het woonwagenkamp aan de Peizerweg in 1973. Beeld: Groninger archieven
Van de hel naar de hemel
Eén groot centrum zoals eerder bedacht kwam er niet, maar wel een flinke opknapbeurt. In 1977 was daar De Kring, vaste staanplaatsen en nieuwe wagens met eigen sanitair. „We gingen van de hel, naar de hemel. Zo voelde het voor iedereen”, zegt Roukema. Hij was inmiddels volwassen en deed met zijn gezin intrede in een nieuwe woonwagen.
Hij staat nog steeds op dezelfde plek, weliswaar in een nieuwere wagen. Vanaf die plek heeft Roukema De Kring zien veranderen. Er kwamen meer plekken en vaste huizen bij. De stad kwam langzamerhand dichterbij, het imago van de woonwagenbewoners verbeterde tegelijkertijd. „Vroeger mocht je hier 50 kilometer per uur rijden, maar mensen van buiten het kamp reden hier met meer dan 100 kilometer per uur langs. Ze wilden hier met een noodgang voorbij, ze waren bang.”
Door de tijd raakte het kamp minder afgesloten en meer in contact met de buitenwereld. Onder meer door de voetbalclub. Roukema: „De Kring is altijd anders dan andere kampen geweest, het staat goed aangeschreven bij buitenstaanders. Iedereen is hier welkom. Zwart of wit. Rijk of arm. Hetero of homo. Alles leeft hier en dat mag hier ook.”
Ieder voor zich
Maar de groei zorgde er ook voor dat het gevoel van verbondenheid langzamerhand verdween, vindt Roukema. „We letten nog wel op elkaar, maar het is niet meer zo verbonden als het was. Het is meer ieder voor zich. Dat is jammer, maar niet anders. Het is nu een soort klein dorpje in de stad Groningen.”
Jan Roukema woont op woonwagenkamp De Kring. Foto: Nienke Maat
Precies datzelfde zegt Helena Struijk (71). Ze woont met haar man Pieter Westerhof (72) in een wagen zo’n 35 kilometer verderop aan de Wiedehoek in Veendam. Ook een plek met een hoop woonwagens, maar kleiner dan De Kring. „Iedereen is de laatste jaren wat meer op zichzelf.” Haar man knikt instemmend. De twee zitten aan hun eettafel gebogen over een kop dampende koffie. Door het raam kijken ze naar de fabriek aan de overkant van de weg. Nu een soort grijze doos, maar ruim twintig jaar geleden dé plek waar de woonwagens stonden.
Achter de sloot stond de thuisbasis voor de familie Struijk, verspreid over verschillende woonwagens. Een van de dertien kinderen was Helena. Het was er niet altijd een pretje daar, op het sloopveld. „Als ik naar de wc moest stond ik wel eens oog in oog met een rat”,zegt ze. „Dan ging ik met een noodgang weer terug. Dan maar ophouden.” Op haar gezicht verschijnt een grote grijns.
Nooit uit de wagen
Rond de eeuwwisseling wilde de gemeente de boel in Veendam verplaatsen. Daarom zitten Struijk en Westerhof nu aan de andere kant van de weg. De woonwagens staan op vaste plekken, afgebakend met stenen muurtjes. Westerhof benadrukt dat het nu een wooncentrum is, niet een kamp. „We wonen dan wel in een wagen, maar we betalen net zo goed gemeentelijke belastingen en zijn aangesloten op het riool.”
Hij telt op zijn vingers. Acht jongeren willen wel een eigen wagen, maar er is geen plek in het centrum. „De gemeente wil niet bijbouwen, de jongeren zitten nu noodgedwongen nog bij pa en moe in huis”, zegt Westerhof. Alhoewel het er minder hecht is dan voorheen, zoekt de familie elkaar nog steeds op. Als het zonnetje in de zomer schijnt, pakt iedereen de tuinstoelen en zet die bij elkaar in een grote kring. Struijk en Westerhof willen hier nooit weg. Zo lang hun gezondheid het toelaat blijven ze in hun wagen.
Hetzelfde geldt voor Roukema in Groningen. Eigenlijk voor elke woonwagenbewoner. Zodra ze eenmaal een plek hebben gevonden, blijven ze. Plichtsgetrouw gebonden aan hun plek, in tegenstelling tot hun voorouders die van hot naar her reden. Altijd in hun wagen, waar hun hele hebben en houden in stond. Dat is voor woonwagenbewoners van tegenwoordig nog hetzelfde, sommige dingen veranderen nooit. Behalve de omstandigheden: die zijn aanzienlijk beter dan vijftig jaar geleden.
De woonwagencultuur behoort tot het immaterieel erfgoed van Nederland. Het wonen in een wagen zonder fundering is een belangrijke pijler van het erfgoed. Maar de cultuur omvat meer dan alleen een manier van wonen: er zijn een hoop ongeschreven regels. Van de schoenen binnen altijd uitdoen, tot je handen nooit wassen in de gootsteen van de keuken. Daarnaast zijn de familiebanden erg sterk.
De vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland zet zich, zoals de naam al verklapt, in voor het behoud van deze cultuur. Sinds 1918 verbiedt de Woonwagenwet het vrij neerzetten van woonwagens, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het reizen daarmee helemaal verboden. In veel gemeenten in Nederland heerst een uitsterfbeleid. Overlijdt een bewoner, dan verdwijnt de standplaats ook.