Schrijver Lisette Jonkman (29) wil vanuit Ubbena de wereld veroveren. Ze bracht net haar vierde feelgood-roman Helemaal het einde uit. Een gesprek over de perfecte mannelijke hoofdrol, leugens en de Donald Duckversie van een hoofdpersoon.
Zo in een voorzichtig ochtendzonnetje glinstert het water van het Noord-Willemskanaal vrolijk. Groene weilanden omzomen de smalle klinkerweg die door het boerenland tussen Assen en Vries loopt en een paar verdwaalde huizen aan elkaar rijgt. Zo ver je kijkt zie je groen, van weides of bomen. Soms flitst een auto voorbij, bijna altijd te hard. Dit is de thuisbasis van Lisette Jonkman.
Hier kun je tot het holst van de nacht feestjes geven met het geluid van de muziekinstallatie vol open. „In Groningen woonden we in een benedenwoning met overal buren: boven, naast ons en ook nog eens schuin-boven. Dan moet de muziek op een gegeven moment uit”, zegt Lisette Jonkman (29).
Ze draagt een vrolijk zomerjurkje, donkerbruin haar valt tot ver op haar rug en haar ogen glinsteren. Aldoor. Als ze over vroeger praat, of over haar dagboeken. Of over een moeilijke periode. Die glinstering blijft.
Samen met haar vriend woont ze in een wit huisje aan dat Noord-Willemskanaal in Noord-Drenthe. In de tuin staat een konijnenhok en twee tuinstoelen staan gericht op het naastgelegen weiland. Op wat vogelgeluiden na is het stil.
„Ik ga elke ochtend om zes uur hardlopen, nam ik me voor toen we hier net woonden.” Ze schatert. „Doei. Nee, daar moet je Annemerel de Jongh voor heten. Zij schreef een hardloopboek. past meer bij mij. Waar hadden we het ook al weer over?”
Met bracht Jonkman onlangs haar vierde roman uit. Een boek waar haar fans op zaten te wachten. „Mijn vorige verscheen in 2014, dat is al heel lang geleden. Ik was bang dat veel lezeressen dachten: die Jonkman komt nooit meer met een boek. Tijdens mijn boekpresentatie waren er 35 aanmeldingen van lezers en daar haakt vaak een aantal van af. Ik kwam in de boekhandel en daar zat wel zeventig man! Het was super vol.”
Overdonderend, zegt Jonkman. „Mensen uit Limburg, focking Limburg, zaten twee uur in de trein om mij te zien. Heel gaaf.”
Jonkman schrijft feelgood-boeken, of chicklits, zoals het genre wordt genoemd. En daar is ze goed in. Op internet krijgt ze lovende recensies. Maar ze kan meer genres aan. Vorig jaar won ze met het korte verhaal de Harland Award, een prijs voor sciencefiction, horror en magisch realisme.
„Ik las veel boeken, daar kan ik helemaal in verdwijnen. Ik loog ook altijd veel, gewoon omdat ik me verveelde. Zo verzon ik op de basisschool dat elke nacht om twaalf uur een eenhoorn bij ons in de tuin stond. Als een vriendin bleef slapen, zetten we de wekker om twaalf uur. Maar dan was-ie er natuurlijk niet en dan zei ik: nou ja, je maakt ook veel herrie, nu heb je hem weggejaagd. Zonder schrijven was ik vast een nare, pathologische leugenaar geworden. De verhalen moeten eruit.”
„Tegen de tijd dat het me in de weg zit, is het al een volledig verhaal. Meestal liggen vijf boeken achter in mijn hoofd te rotten.”
„Soms wel, maar niet als het nog een vaag idee is. Als ik het niet onthoud, is het verhaal niet goed genoeg. Ik heb wel eens een rare droom, dat ik wakker word en denk: goed idee, dat moet ik opschrijven. ‘s Ochtends lees ik dan iets als: vijf eieren en een blauwe smurf.”
Ze schatert. „Wat? Hè? Ja, goed verhaal hoor, Lis, daar kunnen we iets mee.”
„In de tweede klas las ik en dat vond ik hilarisch. Ik heb dat boek van Helen Fielding wel meer dan dertig keer gelezen. Ik begon zelf ook dagboeken bij te houden. Een paar jaar geleden vond ik die weer. Ik heb ze allemaal weggegooid. Zo erg. Het was een poging tot grappig zijn, maar ik kopieerde gewoon de stem van Fielding.”
„Ik begon vaak met iets dat echt gebeurd was, maar dan maakte ik het net iets mooier en ronder. Zo zei ik op de fiets tegen een vriendin dat ik een jongen leuk vond, terwijl hij achter ons bleek te fietsen. In mijn dagboek schreef ik dat hij voorbij fietste en naar mij glimlachte, maar in het echt was het heel naar. Ik was nou niet het meisje van wie de jongens dachten: yeah, daar gaan we voor. Hij bleef de hele tijd achter ons fietsen en ik kreeg een aardbeirood hoofd.”
„Ik denk tijdens mijn opleiding journalistiek. Het eerste jaar was zwaar en saai, maar ik leerde wel structuur. Dat een verhaal een bepaalde opbouw moet hebben, dat je niet met tijdsbepalingen moet beginnen en dat sommige dingen cliché zijn.”
Jonkman groeide op in IJmuiden en verhuisde na de scheiding van haar ouders met haar moeder naar Annen. „Of eigenlijk Annermoeras, dat ligt als een steenpuist aan Annen vast.”
„Alsof ik in een warm bad viel. Ik voelde mij in het Noorden veel meer thuis dan in het Westen. Op de eerste schooldag stapte gelijk iemand op mij af om me de weg te wijzen. In IJmuiden werden nieuwe mensen op school eerst drie weken genegeerd.”
„We huurden een woning in Groningen en wilden graag kopen. Maar de huizenmarkt was opeens gestoord in Groningen. Bij elk open huis stonden we daar met vijftien precies dezelfde stellen. Een vrouw was zwanger en haar buik werd steeds dikker en dikker, tot ze opeens niet meer bij de bezichtigingen kwam.’’
,,Toen heb ik de radius op Funda verhoogd, 15 kilometer om Groningen heen. Je komt opeens prachtige dingen tegen, maar dan ligt zo’n huis in Visvliet, dat is niet handig omdat het niet aan de snelweg ligt. Of in aardbevingsgebied. In Slochteren wil geen mens meer wonen, iedereen is bang dat het huis verkruimelt waar je bij staat.’’
,,En toen zag ik dit huisje, zo snoepig. We reden hier voor de grap langs en ik zei: er is geen elektriciteit en geen aansluiting op de hoofdriolering. Dat vonden we allebei niet handig, maar we keken elkaar aan en nu wonen we hier.’'
Met haar debuutroman breekt Jonkman in 2011 in een keer door. Het boek gaat over Sophie, een 24-jarige vrouw die baalt van haar baan bij een reclamebureau. Ze mag alleen maar koffie halen en ook in de liefde loopt het niet lekker. „ was een geval apart, want dat boek heb ik geschreven voor de National Novel Writing Month.’’
,,Mijn doel was 50.000 woorden halen, daar was ik elke dag mee bezig. Dan dacht ik: er moet shit gebeuren, laat ik iemand in de mix gooien. Zo duikt de buurman pas halverwege het verhaal op, dat mag niet volgens de regels van storytelling. Het is eigenlijk een boek dat zich aan geen enkele regel houdt.”
Toch won ze met de chicklit-schrijfwedstrijd van Luitingh-Sijthoff, Bol.com en Chicklit.nl. Na dit debuut volgden en . Haar nieuwste boek, , gaat over rockster Roxy. Als haar beste vriendin overlijdt, stort de 28-jarige Roxy in. Ze kampt met psychische problemen en een drugsverslaving en keert terug naar haar familie en jeugdvriend Arno op het platteland.
Jonkman wordt geroemd om haar gevoel voor humor, de scherpe kantjes die haar verhalen hebben en haar realistische karakters. Ook haar mannen zijn geen prinsen. „Ik wil niet een standaard zwijmel-man die gespierd uit het water stapt en met zijn haar zwaait. Ik wil een echte man.”
„Het draait vooral om de jacht. Lezers denken dat ze meer willen lezen over het geluk, maar dat is niet zo. Daarover moeten ze zelf kunnen fantaseren.”
„Ik heb veel moeite met het einde. Tot nu toe heb ik nog geen enkele keer gehad dat mijn eerste einde ook echt het einde bleef. En darlings killen is moeilijk. Bij moest ik de helft van de woorden schrappen.”
„Mijn redacteur. Ze zei: ik vind het een goed boek maar het kan bondiger, als je nou eens de helft schrapt. Dat was een heftig gesprek, want ik was het daar natuurlijk niet mee eens.”
„Ik had in 2013 een reünie van de basisschool in IJmuiden. Veel mensen had ik al heel lang niet gezien. In mijn hoofd waren mijn klasgenoten nog kinderen met van die veel te grote tanden, te lange armen, stekeltjes en oorbellen. In mijn hoofd was de tijd stil blijven staan.’’
,,Maar in de kroeg zaten allemaal volwassen mensen met een gezin en baan. Ik dacht: wat als ik hier niet terug had willen komen omdat ik bang was dat een geheim zou uitkomen? Die gedachte was het begin van het boek. En ik wilde altijd al graag eens iets met een rockster doen.”
Weer die schaterlach.
„Dat klinkt nasty. Ha, rocksterren mogen me bellen.”
„Poeh. Ik wilde de zanger van Muse zeggen, maar hij heeft zo’n rattenkop. Hij heeft wel een heel goede stem, dus hij mag me best bellen en dan door de telefoon zingen.”
„In het begin was ze schattiger. Ze maakte als een soort voice-over grapjes over haar eigen leven. Dat was in de eerste versie. Maar euhm ...” Ze hapert even.
„In de zomer van 2015 stierven mijn oom en opa binnen twee weken. Ik dacht, oké, dit is iets wat in een mensenleven gebeurt, hier moet ik mee om kunnen gaan. In september, een maand erna, ging mijn konijn dood. Alles kwam los, dat was de druppel. Ik kon niets meer hebben en ben maanden uit de roulatie geweest. Ik was gewoon stuk.’’
,,Ik moest mijn redacteur bellen omdat ik de deadline niet ging halen. Ik oefende van te voren op een netjes, formeel gesprek. Gewoon, zoals de volwassene die ik ben. Ik belde haar, ze zei: met Hedda. Toen huilde ik al: Hedahaahaaa.”
„Weet ik niet. Overspannen, een zenuwinzinking, zeg het maar. Het was niet leuk en het duurde lang. Ik belandde thuis op de bank in een spiraal van zelfhaat. Ik kon zelfs niet schrijven. Toen ben ik lid geworden van een sportschool. Dat hielp. Ik leerde de situatie te accepteren. Daarna ging het langzaam beter.’’
,,Na die periode pakte ik mijn boek weer op en toen dacht ik: dit is de Donald Duck-versie van mijn verhaal. Roxy is een rockster en al tien jaar beroemd, ze doet haar eigen boodschappen niet meer. Ze is helemaal niet schattig.”
Ze heeft geen rust nu in de boekhandels ligt. „Ik werk aan drie boeken tegelijk”, grijnst ze. Een thriller. Een young adult roman en een fantasyserie met schrijver Martin Gijzemijter. „We zijn er al sinds 2013 mee bezig. Het gaat over de uitvinding van magie als consumentenproduct. De uitgeverij was enthousiast en het eerste deel verschijnt in de eerste helft van 2018.”
„Dat zou ik heel erg leuk vinden! De hele wereld over reizen. Dat is een droom: je boeken laten vertalen of een verfilming.”
„Ik heb een auto en vind rijden niet erg. En we hebben Groningen Airport Eelde. Dus ja, dat kan zeker.”