Deze week overleed jazzlegende Sonny Rollins en nu hoor ik u al denken: wat kan mij dat nou schelen? Ik houd niet van jazz, ik begrijp niets van jazz, dus waarom zou ik treuren om een tenorsaxofonist die op 95-jarige leeftijd ging hemelen?
Toch zou je, juist als je niets van jazz weet, om Sonny Rollins moeten geven. Sonny Rollins was namelijk niet alleen een voorbeeld voor jazzmuzikanten, Sonny Rollins was een voorbeeldmens.
In 1950 zit Sonny Rollins in de gevangenis. Hij zit daar voor een gewapende overval, waarschijnlijk gepleegd om aan centen voor zijn heroïneverslaving te komen. Na een paar maanden mag hij eruit, na een jaar wordt hij weer opgesloten omdat hij de voorwaardes van zijn voorwaardelijke straf schendt (lees: hij wordt aangetroffen met een spuit in zijn arm). Tussen de gevangenisstraffen door neemt hij een paar sessies op en nog steeds worden die composities, ik hoorde ze van Leeuwarden tot Kaapstad, in jazzkroegjes gespeeld. Iets om trots op te zijn zou je denken, maar dat was Rollins niet.
Juist in die nuchtere jaren verschenen zijn meest iconische platen
Sonny Rollins was niet tevreden: niet over zijn leven en niet over zijn spel. In 1955 liet hij zich opnemen in een verslavingskliniek om met het toen experimentele methadon van de heroïne af te komen. Het lukte, hoewel hij zich de jaren daarna zorgen maakte dat de nuchterheid zijn artisticiteit nadelig zou beïnvloeden. Het tegendeel bleek het geval, juist in die jaren verschenen zijn meest iconische platen. Maar nog steeds was Sonny Rollins niet tevreden en vanaf 1959 verdween hij van het podium.
Wat deed Sonny Rollins dan wel? Sonny Rollins ging oefenen. Niet thuis, hij woonde naast een zwangere vrouw die hij niet wilde storen, maar op een metrobrug tussen Brooklyn en Manhattan. Soms voor 15, zelfs 16 uur per dag stond hij daar te blazen, in weer en wind, steeds op zoek naar manieren om zijn saxofoonspel nog beter te maken. Pas na twee jaar keerde hij terug, klaar om zijn saxofoonspel aan iedereen te laten horen. Wat hij ook deed: voor de komende decennia speelde Sonny Rollins zowat elke avond, van het ijskoude Helsinki tot dat optreden daags na de aanslag op de Twin Towers, toen hij zijn New Yorkse huis van de brandweer op stel en sprong moest verlaten en het enige wat hij mee kon grissen zijn saxofoon was. Tot de Oosterpoort in Groningen, die hij in 2009 aandeed, een concert dat ik tot mijn grote verdriet miste, ik was 18 en had geen poen.
Ik wéét dat ik dat in AI-muziek niet kan horen
Nu is Sonny Rollins dood, wat rest zijn zijn platen. Ik luister naar zijn spel en ik lees in de krant dat Spotify vol inzet op AI, luisteraars kunnen binnenkort zelf hun favoriete nummers remixen. En ik weet, ik kan het er niet in horen, maar toch hoor ik die dagen op die brug in de lijnen van Sonny Rollins. Ik hoor de methadonkliniek en ik hoor de gevangenis en ik hoor dat hij daar wat moois uit wist te peuren. En hoewel ik het vast niet echt kan horen, wéét ik dat ik dat in AI-muziek niet kan horen. Ziel, bevlogenheid, maar vooral de mogelijkheid uit ellende iets moois te distilleren. Dat is wat ik in jazz, in alle muziek, wil horen. Dan is het kunst die ons hoop geeft, hoop op iets moois, en die hoop gaat ons allemaal aan.