Hij keek me boos aan en zei: „Hou wordt mienjong? Stop doar mit.’’ Ik volgde zijn blik, zag mijn handen en wat ik aan het doen was. De as van mijn sigaret tipte ik voortdurend in wat ik dacht een leeg bierblikje, maar wat het blikje bleek waar vriend Gert uit dronk.
„Bist doen of zo?’’
Natuurlijk was ik lam. De zon stond hoog aan de hemel en we lagen al uren te drinken en te roken op de overvolle grasheuvel die nu Ossebroeken heet en misschien toen ook, maar die wij voor het gemak ‘bie de Strubben’ noemden.
Vriend Gert en ik gingen jarenlang samen naar de TT. Jongens van het platteland, voor een nacht en een dag los van de ketting. Spijkerbroek, T-shirt, leren jekkie, puntstevels. Paar honderd gulden lös in de kontbuutse en pakjes Marlboro in de binnenzak.
We stapten op vrijdagavond op de bus naar Assen, zwierden en zwaaiden de hele nacht door het centrum en laafden ons aan kermis, muziek, poedies, massale knokpartijen en kijken naar mensen die van voren niet meer wisten dat ze van achteren leefden.
Als het vanachter de buitenwijken licht begon te worden, haalden we een vette bek en liepen naar het circuit.
Naarmate we dichterbij kwamen, langs dronken droppies in berm of sloot, de als campings vermomde vrijstaten en velden met motoren, werd ik elke keer gegrepen door een gevoel van verbondenheid met iedereen die daar liep. Alsof we een grote familie waren. Wij, noorderlingen, hadden hier een feessie.
De TT was niet alleen een hoogmis van de motorsport, een eredienst met Wein, Weib und Gesäng waarin de lof werd gezongen over coole mannen op hete motoren, met rubber, staal en benzine in plaats van mirre, wierook en goud, het was tevens een ode aan het platteland, een bal der verbroedering, waarop gezinnen met koelboxen en verliefde stelletjes zij aan zij lagen met the lost and the wretched, goddelozen, vrijdenkers en outlaws.
Het gaf een enorm gevoel van vrijheid daar te zijn, in een niemandsland zonder tijd en gezag, met niks om handen, behalve de tray bier de man die we ’s ochtends onder aan de heuvel kochten en die we tussen ons in legden, waarna we met de jas onder het hoofd in slaap vielen, om bij het eerste geronk wakker te worden en verder te gaan met waar we waren gebleven.
We hoefden niks, alleen maar liggen, drinken en roken. En af en toe miegen as n peerd.