Vooropgesteld: ik kende Lieke Marsman helemaal niet zo ontzettend goed. Tuurlijk, we kwamen elkaar tegen op literaire festivals en zelfs op feestjes, groetten elkaar dan vriendelijk, maar zowel in wat we schreven als in onze vriendengroepen was er weinig overlap.
Toch vind ik het belangrijk nu ze is overleden om over haar te schrijven. Waarom? Omdat Lieke Marsman de beste Nederlandse dichter van mijn generatie was.
Afgelopen april was dat eens te meer duidelijk. Lieke trad op bij Poëzie in Carré, voor een uitverkochte zaal was zij de eerste dichter die het woord nam. Dat is normaal gezien een afschuwelijke positie voor een dichter: het publiek moet nog even wennen aan de geluidsinstallatie, het decor en de theaterbuurman die de armleuning in beslag neemt en heeft zodoende altijd het minste oor voor de dichter die het spits af moet bijten. Niet bij Lieke. Met haar eerste zin leidt ze haar toehoorders een gedicht binnen dat zowel bijtend als grappig, zowel teder als schurend is, en dat vreemd genoeg een hoofdrol heeft voor Gerrit Zalm. Ze krijgt tweeduizend mensen muisstil, geen kuch is te horen, voor een kwartier lang is het grootste theater van de hoofdstad van haar, van haar, van haar alleen. Schijnbaar moeiteloos zou ik willen typen, maar dat is niet zo. Ze beeft als een riet.
Dan barst er een gigantisch applaus los, waarna ze weer op haar plek gaat zitten. Er staan tafeltjes en stoelen op het podium voor de dichters die optreden, ze zit tussen haar collega’s, jongere, maar ook veel oudere. Dan sluipt ze tijdens een entr’acte naar de zijkant van het toneel en verdwijnt tussen de coulissen.
Gore onzin
Er bestaat een tendens, zeker in de poëzie maar eigenlijk in alle kunsten, om na verloop van tijd te gaan dwepen met het verschrikkelijke lot wat een kunstenaar trof. Van Freddie Mercury tot Federico García Lorca en van Vincent van Gogh tot Amy Winehouse, in de ogen van het grote publiek krijgt hun werk extra glans door hun veel te vroege dood. Gore onzin natuurlijk, het werk van de kunstenaar bestaat bij de gratie van wat een kunstenaar gedurende zijn leven allemaal binnenkrijgt. Dus je gunt een kunstenaar, een dichter, zo’n lang mogelijk leven, zoals je eenieder een zo’n lang en gelukkig mogelijk leven gunt. Maar bij een kunstenaar telt het extra, want je gunt het publiek zoveel mogelijk schoons, daar wordt hun leven niet langer, maar wel gelukkiger van. Het is een grote rotstreek dat er in de hele toekomst geen nieuwe gedichten van Lieke Marsman meer geschreven gaan worden.
Dat is 35 keer de eerste lentedag
Lieke Marsman werd slechts 35. Dat is 35 keer de eerste lentedag, 35 keer de eerste lammetjes vanuit de trein zien lopen. 35 keer de magnolia zien bloeien, 35 keer dat magische moment dat de straat, net nog vol bomen met kale takken, na een fikse regenbui volledig groen is geworden. 35 keer het voor het laatst die winter zien sneeuwen, 35 keer de weervrouw die op het journaal verkondigt dat de tijd van winterjassen nu toch echt voorbij is.
34 keer hoogzomer. Je gunt zo’n steengoede dichter er zoveel meer.