Ik denk: Huh, wat ligt dáár op de weg en ik roep vanachter het stuur: 'Hé.’ Maar de ganzen horen mij niet. Er zit maar één ding op | column Herman Sandman
De eerste keer denk ik: Huh, wat ligt dáár op de weg? Ik roep vanachter het stuur: „Hé.” Maar de ganzen horen mij niet.
We zijn er inmiddels zo aan gewend dat we ver voor de brug waar ze in de berm liggen reeds vaart minderen. De gedachte alleen al om met 70 kilometer per uur dwars door een troepje duttende ganzen te jakkeren vervult me met afschuw.
Het leuke is, er zijn jonkies bij.
Ganzen zijn niet bijzonder. Het stikt ervan bij ons. Ze foerageren op de akkers en velden rond het dorp, soms met honderden tegelijk. Misschien wel met duizenden, maar het is lastig tellen vanachter het stuur van een auto die 70 rijdt.
Er zijn verschillende soorten, maar ik kan nooit zeggen wat ik zie: grauwe gans, brandgans, kolgans, Canadese gans of toendrarietgans. Geen idee dus welke bij de brug ligt. Ik gok grauwe gans, kolgans of toendrarietgans. Die lijken wat op elkaar. Volgens mij.
Ze zijn er ineens, angstig dicht naast de weg. Bijna meteen, we rijden er elke dag langs, zien we jonkies. Het verklaart waarom de ganzen juist daar zijn. Een berm is een veilige, overzichtelijke plek om te broeden. Biedt beschutting tegen mens en roofdier. Ganzen ruien in de zomer en kunnen dan tijdelijk niet vliegen.
De kleintjes zijn alweer groter. „We zien ze echt opgroeien”, zegt mijn vrouw als we zaterdagmiddag naar huis rijden en op de rem gaan. Waarna er niks anders op zit dan wachten.
Ik vind dat leuk. Het heeft iets van: oh ja, wij, mensen, willen van alles, de omgeving, de aarde, naar believen inrichten en landjepik spelen in de natuur, maar als ganzen hun kop volgen staan we stil.