Er lopen militairen langs terwijl ik deze zin tik op mijn laptop. Het is een mooie nazomerdag en ik zit in een park vlakbij mijn huis.
Er lopen militairen langs terwijl ik deze zin tik op mijn laptop. Het is een mooie nazomerdag en ik zit in een park vlakbij mijn huis. Het is een heel normaal park waar doodnormale dingen gebeuren. Naast mij zit een jongen een boek te lezen. Even verderop wordt een golden retriever uitgelaten. Een zwerver mompelt in zichzelf. Maar er zijn dus ook twee mannen in camouflagekleding. Een van hen sjouwt een M4 mee, zo’n groot semiautomatisch geweer. Dat is niet normaal.
Deze militairen van de Nationale Garde zijn hier in opdracht van president Trump. Ze moeten Washington DC veiliger maken. Door hun camouflagepakken vallen ze ironisch genoeg juist extra op. Alsof ze rechtstreeks van de frontlinie naar dit vredige buurtje zijn geteleporteerd. Het is niet eens eng, het is vooral gek. Het enige criminele hier in de buurt zijn de cappuccino’s van 7 dollar.
Een belegerde hoofdstad, dat is toch niet normaal?
Ik krijg vanuit Nederland veel vragen over die militairen. Want een belegerde hoofdstad, dat is toch niet normaal? En dan denk ik steeds: waar moet ik beginnen? Normaal is het inderdaad niet. Maar ondertussen gaat het leven hier ook gewoon door. Ik zit hier tenslotte ook heel gewoon mijn stukje te tikken.
Die militairen staan vooral op plekken waar amper criminaliteit is. Bij mij in het park, maar ook op de National Mall, Amerika’s nationale voortuin. Een paar Hummers bij Washington Monument, gardisten tussen de toeristen en gepantserde voertuigen bij het station. Het gaat om zichtbaar zijn, zeggen die militairen zelf. Met andere woorden: dit is pure show.
In die slechte buurten zie ik geen militairen patrouilleren
Natuurlijk heeft Washington problemen. In bepaalde wijken zijn vuurwapens, drugs en armoede een groot probleem. Ik woonde ooit in zo’n wijk. De kogels vliegen je daar regelmatig om de oren, met alle gevolgen van dien. Aan de overkant van de rivier is het nog erger. Een jongerencoach die ik daar eens interviewde vergeleek het geweld daar met de toestand in Irak. En hij kon het weten, hij had daar als soldaat gezeten. Maar in die slechte buurten van Washington zie ik nu geen militairen patrouilleren.
In andere woonwijken zie je wel federale agenten. De FBI, DHS, ICE en nog veel meer afkortingen werken daar samen om criminelen, maar vooral immigranten op te pakken. De beelden van de arrestatie van een maaltijdbezorger gingen viraal. In het filmpje zie je hoe de man tegen de grond wordt gewerkt door agenten met maskers. Buurtbewoners filmen het massaal en schreeuwen naar de agenten. „Jullie maken dit land kapot!”, roept een van de omstanders. „Links heeft het al kapotgemaakt”, roept een van de agenten terug.
De frustratie spat eraf bij de buurtbewoners op het filmpje. Zo’n 80 procent van de inwoners is tegen de inzet van al die troepen in hun stad. Washingtonians laten zich daarom op allerlei manieren horen. Er wordt een hoop geprotesteerd. Niet zelden is dit parkje het beginpunt. Daarna gaat het dan in een lange optocht naar het Witte huis. Wie oplet ziet overal kleine tekenen van verzet. Op het bankje waarop ik zit is een proteststicker geplakt: ‘Troepen de stad uit.’ Op de meterkast zit een protestposter met een lokale held: de man die zijn broodje naar de politie gooide en prompt gearresteerd werd.
Ik merk wel dat ik mijn gedrag verander
Ik voel me zelf niet onveilig tussen al dat geüniformeerde machtsvertoon. Maar ik merk wel dat ik mijn gedrag verander. Ik ga niet meer het huis uit zonder mijn paspoort. Dat moest eigenlijk altijd altijd al mee vanwege mijn visum, maar nu is vergeten echt geen optie meer. Door rood lopen doe ik ook niet meer. Het geluid van sirenes klinkt ineens onheilspellend. Sommige dingen voelen nu anders dan normaal.
Ik heb dan nog geluk dat ik blank ben. Ik zie er niet uit als een immigrant. Laatst vertelde een in Latijns-Amerika geboren buurtgenoot mij dat ze liever niet meer ’s avonds haar huis uitgaat, en dat ze geen Spaans meer spreekt in het openbaar. Zij is overigens gewoon Amerikaans. Maar ook zij maakt zich zorgen.
Dus ja, hoe is het nou echt in Washington? Sommige inwoners van de stad houden zich angstig stil. Anderen laten zich juist extra horen. Maar verder gaat het leven gewoon door.
Vanaf het bankje hier in het park komt het allemaal voorbij. Nu lopen er militairen. Morgen zijn het demonstranten. Een stroom van forenzen komt uit de metro, een jazzbandje begint te spelen. Het abnormale vermengt met het normale, en wordt zo langzaam het nieuwe normaal.
Onze V/M
DVHN en LC publiceren iedere week een column van Onze Vrouw/ Man, een van de acht mediacorrespondenten uit een ander continent.
Jan Postma (Hurdegaryp, 1983) is correspondent in Washington voor BNR Nieuwsradio en andere media. Hij studeerde Amerikanistiek en journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen.