Columnist Maaike Borst Foto: Marcel Jurian de Jong
De eerste keer dat ik mijn eigen geld verdiende, was met saxofoon spelen op straat. Ik was 11. Geen idee waar ik het lef vandaan haalde of hoe ik op het idee kwam, maar ik deed het. Artistieke hoed op, uitklapbaar muziekstandaardje mee, de koffer uitnodigend open.
Van de opbrengst kocht ik een draagbare radiocassettespeler (of ‘soundmachine’) voor 100 gulden. Ik zie me nog al die muntjes uittellen bij het bankkantoor, dat toen nog gewoon om de hoek was.
Wat ik allemaal speelde weet ik niet meer. Summertime, geloof ik. En Killing me softly. Wel herinner ik me nog goed dat uiteindelijk een winkelmedewerker naar buiten kwam en zei dat ze me geld zou geven als ik ergens anders ging staan.
Tegenwoordig hebben straatmuzikanten een vergunning nodig. Dat begrijp ik wel, al mogen ze wat mij betreft dan ook kwaliteitscriteria verbinden aan de bagger waarmee winkels hun publiek terroriseren. Maar dat terzijde.
Vrijdagavond werken
Ik denk terug aan mijn allereerste inkomsten omdat mijn zoon een baantje heeft. Dat zo’n jongen opeens zelf geld verdient, je wordt er week van als moeder. Stel je voor om een dagje eerder dan gepland naar Amsterdam te gaan, zegt-ie: „Nee, ik moet vrijdagavond werken.’’ Om te janken, zo volwassen.
Mijn broer had vroeger een krantenwijk. Soms hielp ik met folders vouwen en dan drentelde onze slimme cavia fluitend bij de openslaande deuren omdat ie wist dat die straks open zouden gaan om de fiets met krantentassen naar binnen te rijden. Hij hoopte naar buiten te glippen om gras te eten – zo verzinnen we allemaal iets om ons kostje bij elkaar te scharrelen.
Bejaardentehuis
Een paar jaar na mijn korte straatmuzikantencarrière ging ik in een bejaardentehuis werken. Met het woord bejaarden bedoelden we toen nog gewoon oude mensen. Verder niets. Ik bracht koffie rond en kreeg dan soms wat lekkers toegestopt. Een koetjesreep, of een boterbabbelaar. De mensen herinner ik me niet meer, wel de geur die er hing.
Zoon heeft geen zin om te werken, zegt hij, wel om geld te verdienen. Je ouders kunnen je nog zoveel vertellen, over hoe fijn het is om onafhankelijk te zijn en hoe goed je bevriend kunt raken met collega’s, maar je begint er pas aan als je zelf vindt dat het nodig is. Deze zomer gaat hij voor het eerst met vrienden op vakantie.
Toen ik genoeg geld had gespaard verving ik mijn soundmachine door een stereotoren. Met een cd-speler, dubbelcassettedeck én opnamefunctie. Van muziek op biebcd’s en cassettebandjes van mijn broer en mijn vader stelde ik zorgvuldig mijn eigen verzamelingen samen. Veel gitaren, geen saxofoons.
En dus stopte ik met spelen op dat peperdure instrument. Voor mij geen probleem, want die had ik toch niet zelf betaald. Mijn ouders legden zich erbij neer. Zij waren ook week geworden, vermoed ik, van al die zelfstandige keuzes.