De weg naar Aleppo zit vol hindernissen. Sporen van oude raketinslagen zitten in het asfalt. Onze chauffeur slalomt er behendig omheen.
Overal zien we skeletten van huizen en flats staan. Kapotgebombardeerd door het Assad-regime met hulp van de Russische luchtmacht. De verwoesting die we onderweg aanschouwen is met geen pen te beschrijven en er komt geen einde aan.
Vanzelfsprekend was het zeker niet dat ik opeens in die auto zat richting de tweede stad van Syrië, een paar dagen voor kerst. Jarenlang was Aleppo afgesneden van de beschaving, geïsoleerd van de rest van de wereld. Tot 2016 werd er hevig gevochten en bombardeerde Assad delen van de stad die in handen waren van de oppositie.
Wie de bekroonde documentaire For Sama heeft gezien, kent de gruwelijke beelden maar al te goed. De beklemmende film speelt zich af in oost-Aleppo, de hoofdpersonen blijven tot het bittere eind in de belegerde stad, tot het echt niet meer gaat en ze met hun kleine dochter Sama noodgedwongen toch vertrekken.
Aleppo was het laatste bastion van oppositiegroepen die streden voor een vrij Syrië. De poging tot revolutie, die in 2011 begonnen was, stierf daar toen Assad de controle terugpakte. Acht jaar lang zat er een denkbeeldige muur om Aleppo heen, om heel Syrië eigenlijk. Tot nu.
Niks meer over van bruut regime Basar-al-Assad
Van de één op de andere dag was van het brute regime van Basar al-Assad niks meer over. Begin december namen de rebellen eerst Aleppo en daarna de hoofdstad Damascus in. Assad vluchtte naar Moskou. En de rest is geschiedenis in de making. De grens tussen Libanon en Syrië stond opeens wagenwijd open. Collega-journalisten reden in de eerste weken in hordes vanuit Beirut naar Damascus. Ze hoefden niet eens een paspoort te laten zien. De nieuwsverhalen gingen over de martelgevangenissen, de herwonnen vrijheid en de omvergetrokken standbeelden van Basar en vader Hafez Assad. Vlak voor de feestdagen trok de westerse mediakaravaan langzaamaan weer huiswaarts.
Als Turkije-correspondent blijf ik doorgaans aan de Turkse kant van de grens. Maar Aleppo ligt slechts 60 kilometer van de Turkse grens eind december kreeg ik de kans om te gaan. Om verslag te doen van deze historische periode. Ik hoefde er niet lang over na te denken. Een stapel papierwerk en een flink portie geduld later, kreeg ik groen licht van de Turkse autoriteiten om samen met mijn Turkse cameraman de grens over te gaan.
Onze Syrische fixer en chauffeur, die aan de Syrische kant van de grens staan te wachten, zijn in opperste stemming. In de auto vertellen ze honderduit over hoe ze de eerste weken in het nieuwe Syrië hadden beleefd. Een gordijn van angst is opgetrokken, vertelt fixer Yaser van 25. Opeens spreekt iedereen vrijuit, onder elkaar, buiten op straat, in de cafés. De naam van de ex-president kan ineens hardop worden gezegd. Yaser is nog het meest enthousiast over de beschikbaarheid van blikjes Coca Cola, die nu vanuit Turkije in overvloed worden ingevoerd. En dat hij hardop het woord ‘dollar’ hardop kan zeggen. „Het was verboden de dollar te gebruiken. Zelfs het woord zeggen kon je in de gevangenis doen belanden.”
De manager van ons hotel vertelt dat het oude regime hem verplichtte om elke buitenlandse hotelgast aan te geven bij de autoriteiten. Hij moest paspoortkopieën naar vijf verschillende overheidsinstanties sturen en informatie verschaffen over het verblijf van de buitenlander. Dat hoeft niet langer. „Welkom in het nieuwe Syrië”, zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht.
Mensen voelen noodzaak zich uit te spreken
In de dagen die volgen merk ik hoe stevig de grip op het volk was geweest. Nu de teugels zijn losgelaten, voelen mensen de noodzaak zich uit te spreken. Buitenlandse journalisten hadden ze in Aleppo lang niet gezien. Onder het Assad-regime keek je wel uit om met een Nederlandse cameraploeg gezien te worden. Niemand is nog bang om gefilmd te worden, om voor de camera hun mening te uiten.
Ze uiten ook hun zorgen over de nieuwe machthebbers. Want naast het euforische gevoel van vrijheid is er natuurlijk ook bezorgdheid over de toekomst. Syrië is nu in handen van voormalige rebellen, die hun wapens hebben afgegooid en maatpakken hebben aangetrokken. Mannen met een jihadistisch verleden die nu hervorming en inclusie beloven. Hoe gaat dat uitpakken voor minderheden, voor christenen? Voor vrouwenrechten?
„Ze spreken over tolerantie en co-existentie, een Syrië voor iedereen”, zei een katholieke priester die ik interviewde op kerstavond. „Het klinkt goed. We zijn voorzichtig optimistisch, maar we zullen ze moeten beoordelen op hun acties.” Kerst in Aleppo verliep rustig, en de ex-jihadisten van HTS verzorgden zelfs extra beveiliging van kerken tijdens de kerstviering.
De weg naar dat nieuwe Syrië zit nog vol met hindernissen. Maar het is belangrijk dat die weg in elk geval is ingeslagen, zegt Natalie. Haar ontmoet ik op de laatste dag. Ze is kunstenaar, activist en dj. Toen de rebellen Aleppo veroverden, was ze eerst bang voor Taliban-achtige praktijken. Dat vrouwen opeens een hoofddoek moesten gaan dragen. Dat dat niet gebeurde was een opluchting. Maar ze is waakzaam, ze moedigt andere vrouwen aan hun ruimte op te eisen en te laten zien dat Syrië net zo goed ook van hen is.
„De revolutie is geslaagd, we zijn vrij van Assad”, zegt ze. “Nu komt er een andere strijd aan. Maar we zijn er klaar voor, om ook die strijd te voeren.”
Onze Vrouw/ Man,
Mitra Nazar (Delfzijl, 1980) is Turkije-correspondent voor onder meer de NOS, Nieuwsuur en het AD. Ze woont met haar partner en dochter sinds 2020 in de wereldstad Istanbul. Voordat ze neerstreek in Turkije was ze jarenlang vanuit Belgrado correspondent op de Balkan. Ze heeft een Iraanse vader en een Friese moeder, groeide op in Hurdegaryp en Leeuwarden en studeerde Taal- en Cultuurstudies en Pedagogische Wetenschappen (met een minor Journalistiek) in Utrecht.
Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant publiceren iedere week een column van Onze Vrouw/ Man, een van de acht mediacorrespondenten uit een ander continent. Volgende week: Peter Schouten in Buenos Aires.