Een manifestatie georganiseerd door het Soedanese Volksfront voor Bevrijding en Rechtvaardigheid op 24 april 2025.
Foto: AFP
Het dodelijkste conflict van dit moment krijgt in het Westen nauwelijks aandacht, ziet Kristof Titeca. Omdat het te complex is en omdat mensenrechten niet langer het Westerse morele kompas bepalen.
Vorige week luidde Michel-Olivier Lacharité, hoofd noodhulp bij Artsen Zonder Grenzen, de alarmbel over het conflict in Soedan. Zijn organisatie sprak in een rapport van etnisch gemotiveerd geweld in Noord-Darfur, in het westen van het land, met burgers als voornaamste slachtoffers. De stad Al-Fashar wordt belegerd en uitgehongerd. Genocide dreigt.
Lacharité hekelt de internationale onverschilligheid. Die is niet nieuw – en ze roept de prangende vraag op die veel Soedanezen zich stellen: waarom is er amper aandacht voor wat zich in hun land afspeelt?
Dodelijkste conflict
Nochtans gaat het om het dodelijkste conflict ter wereld op dit moment. In november 2024 werd het aantal burgerdoden geschat op minstens 150.000 – sommige studies suggereren zelfs hogere cijfers. Ongeveer 11 miljoen mensen zijn op de vlucht geslagen. Grote delen van het land staan aan de rand van hongersnood. Deze cijfers overstijgen die van om het even welk ander lopend conflict wereldwijd.
Toch blijft internationale mobilisatie uit. De Soedanese journaliste Dallia Abdelmoniem verwoordde het pijnlijk scherp: „Praten over Soedan is als roepen in het luchtledige. Het maakt niet uit hoeveel verkrachtingen, slachtingen of moorden er worden gemeld – slechts een handvol mensen luistert. Als het land instort, zal dat op zijn hoogst een schouderophalen opleveren.”
Verschuivend wereldbeeld
De oorlog in Soedan is geen alleenstaand geval. Ook het conflict in de regio Tigray in Ethiopië kreeg nauwelijks internationale weerklank. Het was met tussen de 300 duizend en 800 duizend doden tussen november 2020 en november 2022 het dodelijkste conflict in lange tijd.
Waarom krijgt het ene conflict wel aandacht, en het andere niet? Een eerste verklaring ligt in de helderheid van een conflict. Oorlogen die eenvoudig te vatten zijn in een duidelijk verhaal van daders en slachtoffers, krijgen sneller publieke en politieke weerklank. Denk aan Oekraïne of Gaza. Maar in Soedan zijn de lijnen complexer. Alle strijdende partijen hebben wreedheden begaan. Er is geen duidelijk onderscheid tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ – behalve dan dat de burgerbevolking de grote verliezer is.
Een tweede – en misschien belangrijkere – reden heeft te maken met een verschuivend wereldbeeld. In de jaren 1990 en 2000 was er de steile opgang van ‘liberaal humanitarisme’: het geloof dat mensenrechten centraal moesten staan in diplomatie en activisme. Er was een breed gedragen overtuiging dat het Westen een morele plicht had om in actie te komen als deze rechten op grote schaal werden geschonden – bijvoorbeeld bij oorlogsmisdaden of genocide.
Soedan leverde destijds een voorbeeld van die houding. In 2003 brak een conflict uit in de regio Darfur, met vergelijkbare patronen als vandaag: rebellengroepen kwamen in opstand tegen de regering, die milities (de beruchte Janjaweed) inzette tegen de bevolking. Dat leidde tot etnische zuiveringen, massamoorden, verkrachtingen en miljoenen vluchtelingen. De ‘Save Darfur’-campagne bracht toen wereldwijd mensen op de been, met name in de Verenigde Staten.
Vandaag is die massale mobilisatie nergens te bespeuren – hoewel het geweld zich herhaalt, misschien zelfs in extremere vorm. Wat is er veranderd?
De kritiek op het westerse optreden speelt hier een centrale rol. Campagnes zoals Save Darfur kregen achteraf veel commentaar: ze presenteerden een simplistisch goed-kwaad-verhaal, en werden gezien als voorbeelden van white saviourism, waarin westerlingen zichzelf opwerpen als redders van Afrikaanse slachtoffers, zonder lokale betrokkenheid of nuance.
Die kritiek leidde tot een noodzakelijke herbronning. Bewegingen zoals Black Lives Matter en het debat rond dekolonisering maakten veel duidelijk over de blinde vlekken en schadelijke effecten van westers buitenlands beleid. Ook in Afrika zelf klinkt het verzet tegen postkoloniale inmenging steeds luider. Denk aan het protest tegen ‘Françafrique’ in West-Afrika, waar voormalige koloniën af willen van Franse bemoeienis. We leven in een wereld die afstand neemt van westerse inmenging – en terecht.
Dit denken is geen verleden tijd: het conflict in Palestina is daar een duidelijk voorbeeld van. Het is uitgegroeid tot hét symbool van het falen van het westerse buitenlands beleid, dat ooit beweerde mensenrechten centraal te stellen. De aanhoudende, vaak onvoorwaardelijke steun van westerse landen aan Israël – met de Verenigde Staten op kop – maakt pijnlijk duidelijk hoezeer het liberale humanitarisme van de jaren 1990 en 2000 failliet is gegaan.
Nieuwe blinde vlekken
Maar deze herijking heeft ook nieuwe blinde vlekken gecreëerd. Conflicten waarin het Westen níet de hoofdrol speelt – zoals in Soedan – sluiten moeilijker aan bij de bovenstaande blik op wereldgebeurtenissen. In Soedan zijn het immers vooral andere machten die het geweld aanwakkeren. De Verenigde Arabische Emiraten spelen een centrale rol door de Rapid Support Forces (RSF) te bewapenen en goud uit Soedan te exporteren. De Emiraten profileren zich steeds nadrukkelijker als neo-imperiale speler in Afrika, met betrokkenheid in grondstoffenroof en mensenrechtenschendingen over gans het continent.
Zo ontstaat er een nieuwe hiërarchie van verontwaardiging. Meer dan terecht, en eindelijk, groeit de aandacht voor de erfenis en de huidige manifestaties van westers imperialisme. Maar andere vormen van geweld, zoals het geweld in Soedan of de destructieve rol van de Emiraten, blijven onderbelicht. In een wereld die steeds sneller polariseert, wordt het moeilijker om recht te doen aan de complexiteit van conflicten die niet netjes binnen de lijnen van huidige politieke kaders passen.
Het dient benadrukt te worden dat de huidige geopolitieke situatie ook bijdraagt aan deze verdere polarisering. De beslissing van de Europese Unie van vorige week om, ondanks overvloedig bewijs, geen sancties tegen Israël in te stellen, is een verdere illustratie van het falen van het Europese buitenlands beleid. Op een cynische manier bestendigt het dan ook de centraliteit van het Westen als referentiepunt waarmee naar conflicten wordt gekeken. Maar op deze manier laat het ook minder ruimte voor andere conflicten die buiten dit kader vallen.
En dat zijn er best wat. In ons streven naar rechtvaardigheid moeten we dan ook waken voor een nieuwe selectieve verontwaardiging. Want ook in andere conflicten, waar daders en slachtoffers niet altijd helder zijn – zoals in Soedan – spelen zich grote tragedies af. En die verdienen net zo goed onze aandacht.
Kristof Titeca is hoogleraar aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (IOB) aan de Universiteit Antwerpen.