Een bord dat aangeeft dat je in de gaten wordt gehouden door de buurtbewoners. Foto ter illustratie.
Buurtappgroepen moeten ons gevoel van veiligheid vergroten, maar zorgen soms juist voor gevaar, ziet de Groningse onderzoeker Arnout de Vries. „Als er niet meer regels komen, ga je naar een soort amateurpolitiestaat.”
Arnout de Vries doet bij TNO onderzoek naar sociale media en maatschappelijke veiligheid en is zelf beheerder van de whatsappgroep in zijn buurt in Haren. Hij prijst de groep, die inmiddels gezamenlijk een defibrillator heeft gekocht voor noodgevallen, voor het vaak goede ‘de-escalerende’ werk dat er gedaan wordt bij een melding.
Maar eigenrichting en stigmatisering ligt ook op de loer, ziet hij. „Zo was er een keer een jongen die er wat anders uitzag dan andere mensen hier in de buurt. Hij was foto’s van de huizen aan het maken, claimde iemand in de app. Die buurman ging op de jongen af, die daar bang van werd en wegfietste. De man is er toen achteraan gefietst en is hem blijven achtervolgen terwijl hij de politie belde. Die heeft de boel uiteindelijk gesust. Ik ben bij die man langsgegaan en vroeg hem of het in hem was opgekomen dat die jongen misschien gewoon Pokémon Go aan het spelen was.”
Wat is er aan de hand?
Een kettingbrief over nepoplichters gaat rond in buurtapps in Drenthe en Groningen. Ze zouden langs de deuren gaan, je afleiden en bestelen. Maar wat blijkt: ze bestaan helemaal niet. Dat het niet altijd gaat ‘zoals het hoort’ in de buurtapp, weten we maar al te goed.
Angst zingt na
Hij ziet als beheerder dat mensen vaak handelen vanuit een onderbuikgevoel. „Mensen kunnen heel moeilijk risico’s zelf inschatten, en trekken conclusies die niet altijd stroken met de realiteit. In onderzoek in de Groningse wijk Vinkhuizen bijvoorbeeld, bleek dat mensen nog steeds veel angst voelden bij een tunneltje in de buurt omdat daar 7 jaar geleden een verkrachting was geweest. De angst blijft nazingen. Nederland is een van de veiligste landen ter wereld en toch koopt iedereen een deurbelcamera.”
Daar ontstaat een nieuw probleem van de buurtapp: privacy. „In mijn groep werden onlangs deurbelcamerabeelden gedeeld van kinderen die aan het deurtje bellen waren geweest. Toen hebben we ingegrepen: is hier sprake van onveilig gedrag? Zijn dit criminelen? Nee. Het had al bijna tot een ruzie geleid. De ouders van die kinderen vonden deurtje bellen normaal kindergedrag, terwijl anderen dat direct ervaren als overlast. Je ziet dat die ideeën over wat niet toelaatbaar is ook vaak schuren in zo’n app, met ruzie tot gevolg.”
Of neem de zaak van de auto die met de lichten uit in de straat werd gesignaleerd. „De kentekens werden gedeeld met de politie, en in de app geplaatst. Bleek dat een buurman een nieuwe relatie had, die zo in de openheid kwam. Zijn vrouw kwam er ook zo achter.”
Tunnelvisie
Soms kan het appen zelfs leiden tot méér onveiligheid, ziet De Vries. „Wij hadden last van een groep jongeren met maskers die huizen binnendrongen. Toen er een paar dagen daarna een buurtjongen zich had verwond aan een hek en bij een buurman aanklopte voor hulp, vertrouwde die het niet en weigerde hij 112 te bellen.”
Er kan in de groep een zekere vorm van tunnelvisie ontstaan, ziet de Vries. Niet alleen in zijn groep, maar landelijk. „Zo zijn er groepen waarin mensen begonnen Poolse kentekens met elkaar te delen. En rond Kootwijkerbroek gaan groepen zelfs op patrouille om mensen klem te rijden, met de boodschap: ‘Hier nooit meer komen, anders ben je er geweest.’”
Enkele groepen professionaliseren steeds meer, ziet De Vries. Dat gemeenten daar weinig regie over hebben, maakt hem bezorgd. „Op een bijeenkomst voor beheerders heb ik groepen gezien die een busje hadden om patrouilles mee te doen. Er zijn groepen die een schouw doen: dan lopen ze ’s avonds rond om te zien waar de ramen nog open staan; of de straatverlichting wel aan is. En er zijn zelfs groepen die door de lokale politie worden gebeld als die zelf geen tijd heeft om op een melding af te gaan.”
De Vries denkt daarom dat het tijd is dat de overheid zich wat meer met de groepen gaat bemoeien. „Iedereen doet nu maar wat, vanuit de gemeenten en politie zijn er geen spelregels. Als die er niet komen, ga je naar een soort amateurpolitiestaat. We staan met deurbelcamera’s nog maar aan het begin. Er wordt al veel gedaan met drones. Je kunt robotgrasmaaiers kopen met gezichtsherkenning en tasers erin.”
Hoe houd je het gezellig in de buurtapp?
Het is belangrijk om je te realiseren dat gesprekken in online omgevingen veel sneller kunnen leiden tot wrevel.
Carla Roos is universitair docent aan de Universiteit Tilburg, maar promoveerde in Groningen op het onderwerp van digitale etiquette. Zij liet studenten live en via tekst met elkaar discussiëren over “lastige” onderwerpen. “Het viel op dat studenten in de tekstgesprekken veel meer het gevoel hadden het niet met elkaar eens te zijn dan in het echt, ook als de twee gesprekspartners eigenlijk redelijk op een lijn zaten.”
In een livegesprek laten mensen volgens Roos met allemaal kleine verbale reacties weten dat ze volgen wat iemand zegt, dat ze het begrijpen. “Mensen laten weten meer te willen horen met woordjes als ‘aha’, ‘oke’, en met aanmoedigende geluiden al hm hm. Online is dat compleet afwezig en krijgen mensen sneller het gevoel dat ze niet gehoord worden. Dan kunnen ze als reactie het nog eens steviger zeggen, of helemaal ophouden met het gesprek.”
Ten tweede uiten we onze mening veel duidelijker in tekstuele berichten. In het echt zeggen we heel vaak kleine zinnetjes al ‘ik denk’, of ‘ik weet het niet zeker, maar’. “Ook dat doen we online niet, waardoor we veel rechtlijniger en minder aftastend overkomen, alsof je minder rekening met anderen houdt.”
Uit het onderzoek van Roos bleek dat als mensen in onlinegesprekken vaker signaalwoorden gebruiken als ‘ik denk, ik vind, ik geloof’, de gesprekspartners een fijner gevoel hadden bij de uitwisseling.
En hoe spreek je mensen aan op zaken waar je het echt niet mee eens bent? Bijvoorbeeld dat er deurbelcamerabeelden zijn gedeeld in de groep? “Dat kun je het best toch even in het echt op iemand afstappen.”
Het bijzondere is, ziet ook hoogleraar Tom Postmes, dat we in het echt heel goed zijn om in een groep de rust te herstellen met non-verbale signalen. “In een experiment van sociaal psycholoog Stanley Milgram werd gekeken naar mensen die in de rij staan en dat er iemand voordringt. Opvallend genoeg wordt die persoon nooit aangesproken, maar mensen maken onderling wel even contact, draaien met de ogen, zuchten, dat soort dingen. Dan kan de groep weer samen verder. En die voordringende persoon hoort er even niet bij. Online kan dat niet, en is het bovendien moeilijk om iemand aan te spreken op zijn of haar een manier die past bij je gevoel.”