„Volkomen terecht dat ze je het hemd van het lijf vragen.'' Foto: Huisman Media
De familie De Groot was misschien wel de meest in het oog springende familie van Veendam. Ria en Peter adopteerden zes kinderen van over de hele wereld en hadden daarnaast ruimte voor pleegkinderen. „Ik hou van allemaal onvoorwaardelijk’’, zegt moeder Ria de Groot.
Ze noemt het hun bijhuis en het bevindt zich in de achtertuin van hun woning aan een klein weggetje in het buitengebied van Wedde. Er kan iemand in wonen, al is het nu in gebruik als fitness- en opslagruimte. Het bijhuis is zo gebouwd dat het opgaat in het groen, het meandert als het ware uit het zicht. En toch is het het eerste wat je ziet: dat merkwaardige bouwwerk dat haast als vanzelf de bijnaam ‘de bunker’ krijgt.
„Er woonde een tijdje een man bij ons op het erf, die tijdelijk een plek nodig had. Hij heeft dit bouwwerk ontworpen, terwijl hij in een caravan leefde’’, zegt Ria de Groot. Ze wijst naar een stuk bos dat bij hun huis hoort. „Daar stond z’n caravan.’’
Gezinsmanager
Dit verhaal gaat over Ria, een Rotterdamse van 68 jaar die bijna haar halve leven in Groningen woont. Ze wilde vroeger boerin worden – ze werd logopediste en therapeut.
Het grootste deel van haar leven was ze voltijds moeder. Gezinsmanager, zegt ze wel eens met een knipoog, als ze terugkijkt op die hectische jaren. Mooie jaren bovenal, met altijd deining aan de keukentafel, waar ze gierden van het lachen, ruzies uitpraatten, de dag doornamen, terugblikten op hun hilarische vakanties waarbij ze met z’n allen in hun verbouwde busje onderweg waren.
Samen met haar man adopteerde ze zes kinderen van over de hele wereld. Daarnaast hadden ze ruimte voor pleegkinderen. „We hebben een tijd met acht kinderen geleefd, dat was het meest. Het was wel eens te veel wat er allemaal gebeurde; te veel tumult tegelijk.’’
Ze hadden een grote kinderwens
Toen Ria logopedie studeerde in Leiden, leerde ze op de roeivereniging haar man Peter kennen die na zijn afstuderen als zendingsarts wilde werken in de tropen. Ze trouwden jong, woonden samen in een studentenhuis en ze hadden een grote kinderwens.
Behalve eigen kroost, wilden ze graag kinderen adopteren. „We leefden niet alleen voor onze eigen lol. We wilden iets betekenen voor de wereld, voor kinderen in de knel’’, zegt Ria.
De bunker in de achtertuin. Foto: Huisman Media
Een zwangerschap bleef uit. Eenmaal in de medische molen, bleken zij en Peter geen kinderen te kunnen krijgen en hoewel ze daarover verdriet hadden, richtten ze zich op de adoptie. Ria las er alles over wat ze kon vinden om enigszins voorbereid te zijn op wat komen ging, zowel voor henzelf als voor hun kinderen.
Ook werden zij en haar man uitgebreid doorgelicht door het adoptiebureau. „Volkomen terecht dat ze je het hemd van het lijf vragen, over je financiën, je huis en je inkomen, maar ook over je mentale gezondheid, je opvoedingsstijl en je relatie. Voor alle kinderen is het ingrijpend als hun ouders gaan scheiden, maar voor adoptiekinderen geldt dat extra. Hun basisvertrouwen heeft al een deuk opgelopen.’’
Hij keek mij en m’n man aan en begon heel hard te huilen
Ria hoopte een babytweeling te adopteren in Sri Lanka, een land dat bekend stond om z’n korte wachttijden en om het grote aantal baby’s dat ter adoptie werd aangeboden. Toen ze een telefoontje kreeg dat er een jongetje van bijna een jaar met een dubbele lip-kaakspleet beschikbaar was, keek ze haar man aan en boekten ze een vlucht naar Sri Lanka. „Dit was een kind in de knel, we gingen hem halen! Ik heb direct iedereen gebeld om te vertellen dat we een zoon kregen!’’
Het was september 1986. Ze herinnert zich nog de klamme warmte en de nieuwe geuren van dat onbekende land. „Onderweg naar ons hotel zag ik aan de kleine winkeltjes, de gammele busjes en auto’s dat het er veel armer was dan bij ons.’’
Ze zal nooit het moment vergeten dat ze op een ochtend aan het ontbijt haar oudste zoon in haar armen kreeg. „Hij droeg een wit broekje en een oranje truitje. Hij keek mij en m’n man aan en begon heel hard te huilen.’’
Voor ze met hem naar Nederland gingen, was er de rechtszaak waarbij z’n moeder afstand van hem nam. „Ze was ongehuwd, ze kreeg een donderpreek van de rechter. Het was verdrietig en onrechtvaardig’’, zegt Ria. „Adoptie is onrecht. In een ideale wereld is een kind bij z’n moeder. Die heeft een kind het leven gegeven, het grootst denkbare geschenk. Ten diepste vind ik adoptie een gevolg van een niet volmaakte wereld, net als opgroeien in oorlog of een ernstige ziekte op jonge leeftijd.’’
Haar oudste zoon is 40 jaar. Vijf jaar geleden heeft hij zijn biologische moeder opgezocht in Sri Lanka. „Hij zag dat ze geen wasmachine had en kocht er een voor haar.’’
Ze heeft hem altijd verteld wie hij was, waar hij vandaan kwam, al zijn vragen beantwoord. Dat deed ze bij al haar kinderen. „Als ouders mag je het gesprek over hun afkomst nooit uit de weg gaan; dat zou een ontkenning zijn van een deel van hen. Ze hebben een Nederlandse opvoeding gekregen, het zijn Nederlandse kinderen die ook nog een ander deel hebben. Ze hebben twee families, twee loyaliteiten.’’
In vogelvlucht
Hoe het verder ging?
In vogelvlucht:
Toen hun oudste drie maanden bij hen was, vertrokken ze voor Peters werk naar Zuid-Afrika. Vanwege de apartheid was het vrijwel onmogelijk daar een kind te adopteren.
Hun tweede zoon, een baby van drie maanden in Brazilië, haalde Peter op. Hij is inmiddels 36, hij heeft contact met z’n biologische familie.
Ria en Peter kijken foto's van hun gezin. Foto: Huisman Media
Ze wensten een dochter. Peter werd arts in een kliniek in Sierra Leone waar op een dag een doodziek jongetje van 2 jaar werd gebracht. Hij woog 8 pond. Hij werd hun derde zoon. Hij is 37 jaar en voetbalde jarenlang in het eerste elftal van Veendam 1894.
In diezelfde kliniek ontfermde Ria zich over een baby, een meisje wier moeder was overleden. „De familie vroeg ons of we haar in ons gezin wilden opnemen’’, zegt Ria.
Een zusje
Met hun vier kleine kinderen gingen Ria en Peter in 1992 op vakantie naar Nederland en het werd hen steeds duidelijker dat ze niet terug konden naar Sierra Leone vanwege de burgeroorlog. Ze logeerden bij familie en vrienden toen Peter solliciteerde als arts in het azc van Veendam. Ze vonden een huis en toen alles op rolletjes liep, wenste Ria een zusje voor hun dochter.
Via via kwam er een 10-jarig meisje uit Portugal op hun pad die bij hen kwam wonen. „Helaas is deze adoptie niet gelukt omdat ze formeel te oud was en we de papieren niet rond kregen. Ze is teruggegaan naar Portugal en kwam geregeld bij ons op vakantie.’’
Via een adoptieorganisatie kregen ze bericht dat er een jongetje van 3 in Nigeria te vondeling was gelegd. Ria en Peter haalden hem op.
En uiteindelijk kwam er een zusje voor hun dochter: een meisje van 3 dat in een weeshuis in Haïti woonde. Ze is bijna 30 nu.
De liefde is onvoorwaardelijk
„Ik ben trots op mijn kinderen’’, zegt Ria herhaaldelijk als ze verhaalt over hoe zij en haar man in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw zes kinderen adopteerden. „Moeder ben je altijd, het is vervullend dat ik iets mag betekenen in hun levens, dat ik ze heb zien opgroeien tot volwassenen die op hun eigen manier in het leven staan. Dat ze hun eigen keuzes maken waardoor het ze goed gaat en waardoor ze gelukkig zijn.’’
Ria en Peter de Groot met de foto van hun zes kinderen. Foto: Huisman Media
En ze noemt de liefde. „Die is onvoorwaardelijk, wat er ook gebeurt. Ik heb een van m’n kinderen later wel eens uitgelegd hoe dat werkt. Ik zei: ik heb altijd van je gehouden, maar niet altijd van je gedrag.’’
De vreugde van de jaren samen als gezin is er niet alleen in haar herinneringen. „Nu nog voel ik me het rijkst op dagen dat we met z’n allen zijn. Met kerst bijvoorbeeld waren ze er allemaal, met partners en kleinkinderen, we waren met z’n zestienen. We zijn familie, we horen bij elkaar.’’
Naderhand heeft ze ingezien waarom adoptie omstreden is, ze begrijpt de kritiek. „Het is natuurlijk vreselijk dat er leugens en misstanden zijn geweest.’’ Dat er een verbod op internationale adoptie is, gaat haar te ver. „Ik vind het heel jammer dat het nu verboden is, omdat ik weet hoe sommige kinderen groot worden in weeshuizen. En twee van onze kinderen hadden ook kinderen willen adopteren.’’
Geregeld kreeg en krijgt ze de vraag waarom ze zés kinderen hebben geadopteerd. „Ze kwamen op ons pad’’, zegt Ria. „We hadden er niet in één keer zes, ze kwamen een voor een en voegden zich in bij een bestaand gezin.’’
En: „Wij hadden het voorrecht dat we van één inkomen konden leven, er was thuis genoeg te doen voor mij.’’
Ze had strenge regels. De kinderen moesten ‘s ochtends op hun kamer blijven totdat Ria zichzelf en het ontbijt op orde had en hen riep. Ze mochten alleen aan tafel eten en drinken. Ze kregen uit school pas iets te drinken als ze hun tas, jas en schoenen op de daarvoor bestemde plek hadden opgeborgen.
En ga zo maar door.
Zeker was het druk. Te druk soms. „Ik weet nog dat ik vanuit onze woonkamer de overbuurvrouw in huis zag zitten, met een kop koffie en een boek. Ik was verbijsterd! Hoe kreeg ze het voor elkaar? Ik had alleen op maandag zo’n soort moment, als iedereen naar school was en ik de hele boel had opgeruimd: dan kon ik genieten van het huis dat aan kant was. En dan kwam de eerste alweer thuis’’, zegt Ria.
Ze kookte pannen vol spaghetti en rijst met saus, ze maakte stamppot en op woensdag was het pizza, patat of pannenkoeken. Hutspot met een gehaktbal en een kuiltje jus was veruit favoriet.
Schreeuwen aan tafel
Het ging niet altijd over rozen. Het botste soms thuis, in de buurt en op school. Dan ging de telefoon en was het wéér de buurman, wéér school.
De oudste kocht een scooter die hij opvoerde, hij reed het liefst zonder helm en het regende boetes. En klachten. Als zijn vrienden op bezoek kwamen, stonden er zes scooters voor de deur.
„Twee van onze zonen hadden last van onverwerkte emoties en konden bazig zijn tegen de anderen, schreeuwen aan tafel. Er was altijd wel iemand die zich daar mee bemoeide. Ik sloeg geregeld met m’n hand op tafel om iedereen stil te krijgen’’, zegt Ria.
„Het is niet altijd eenvoudig geweest. Ze waren alle zes zo verschillend. Ik wilde ze het gevoel geven dat ze gehoord en gezien werden. Mijn motto was dat ze alles mochten zeggen, maar schelden en schreeuwen was verboden.’’
Ze zucht.
„Natuurlijk scholden en schreeuwden ze. We hadden op een gegeven moment vier deuren met een gat erin, uit woede erin getrapt door een van de kinderen’’, zegt ze. Ze kan er nu om lachen. „We hingen posters op die deuren om de gaten te verbergen.’’
Pleegkinderen
In die hectiek van opgroeiende tieners en pubers namen Ria en Peter nog meer kinderen in huis. „We zagen nood, we zagen het tekort aan pleeggezinnen, een vriendin van ons had pleegkinderen’’, zegt Ria.
Een meisje van 17, gevlucht uit Sierra Leone en in haar eentje beland in het azc van Veendam, kon bij hen terecht, evenals een jongen van 19 uit Angola. Ze woonden zes en acht maanden bij hen.
Twee zusjes, afkomstig uit Irak en door Jeugdzorg uit huis geplaatst, woonden ruim een jaar bij hen. Ze kregen een pleegdochter met een verstandelijke beperking, ze kregen een meisje van 14 dat voor drie maanden onderdak nodig had. „En we kregen een pleegzoon, een jongetje van 5, maar het gat met onze eigen kinderen was te groot. Onze kinderen zijn trouwens alle zes heel gastvrij geworden.’’
Haar leven was het moederschap
En op een dag was Ria op. Ze was rond de 50, ze sliep slecht, kreeg paniekaanvallen op de snelweg, vergat haar tassen vol boodschappen in de supermarkt. „Ik ging onderuit en heb het twee jaar zwaar gehad’’, zegt ze.
Via een psycholoog ontdekte ze dat ze haar hele leven had opgehangen aan het moederschap, daaraan ontleende ze haar identiteit. Het eindeloze zorgen was onbewust haar bestaansrecht, zegt ze. „Wie was ik? Ik leerde dat ik niet de hele wereld aankon en ik ontdekte dat ik van stilte hou. Van de natuur, van dieren en wandelen.’’
In de drukte van opvoeden, brandjes blussen, boterhammen smeren, tassen inpakken, op tijd zijn voor school en kerk, afspraken voor school, sport en hulp was ze zichzelf vergeten. Toen ze opknapte, besloot ze in deeltijd de opleiding tot systeemtherapeut te volgen waarna ze een eigen praktijk begon. In de jaren tot aan haar pensioen werkte ze met ex-gedetineerden die met verslavingsproblemen kampten.
Met terugwerkende kracht zou ze andere keuzes hebben gemaakt. Ze kan het niet met zekerheid zeggen, maar ze zou misschien nee hebben gezegd tegen de pleegzorg, hoewel ze ook die kinderen een verrijking vond en ze contact met de meesten van hen heeft.
De bunker. Foto: Huisman Media
Ze wil er niet te veel over kwijt
Nog even over de bunker oftewel het bijhuis. Ria en Peter waren nog maar net neergestreken in hun huis in Wedde, aan een landweggetje, ver weg van alles en iedereen. Ze hadden elkaar en ze hadden rust. En toch hadden ze iemand over de vloer. Geen adoptiekind, geen pleegkind, maar een man op zoek naar een plek om tijdelijk te wonen.
„Ik loop iedereen tegen het lijf’’, zegt Ria. „Ook deze man.’’
Hij kwam met een caravan en streek neer in het bos achterop hun erf. En hij ontwierp het bouwwerk in hun achtertuin waarin hij uiteindelijk kort gewoond heeft. Ze wil er niet te veel over kwijt, maar op een dag had ze er genoeg van. Ze wilde zich niet meer aanpassen, ze wilde niet dat iemand anders iets bepaalde over haar erf.Ze weet nog wat ze uitriep toen de man was vertrokken. Deze zin: „En nu komt er niemand meer bij ons wonen!’’
Ze is even stil. „Behalve onze kinderen natuurlijk. Als zij vastlopen, kunnen ze altijd bij ons terecht.’’
Hadassa (29)
„Ik kijk positief terug op ons gezin, ik voel me dankbaar dat ik daar mijn plekje heb kunnen vinden, ondanks de drukte en de hoeveelheid mensen.
Ik ben trots dat we als gezin elkaar hebben gedragen, ook al hebben we niet dezelfde start gehad. Elk huisje heeft zijn kruisje. Ook ons gezin. Wij zijn allemaal verschillend in hoe we omgaan met de adoptie, alles wat daarbij komt kijken. Die verschillen mogen er zijn.
Pleegkinderen die vanuit een crisissituatie bij ons kwamen, bleven niet; dat was een komen en gaan. De onvoorspelbaarheid binnen ons gezin was niet altijd prettig.
Ik weet dat er in adoptiegezinnen soms problemen zijn. Dat het bij ons juist goed ging, is te danken aan de openheid binnen ons gezin. Ik heb nooit níet geweten dat ik geadopteerd was. Mijn ouders waren open over de adoptie en ondersteunend in ieders zoektocht.
Als jongste zag ik hoe mijn broers en zus op zoek gingen naar hun achtergrond. Dat riep ook bij mij vragen op over waar ik vandaan kwam. Zo werd opgroeien voor mij óók een zoektocht, waarbij mijn biologische familie in Haïti steeds meer in beeld kwam.’’
Jimmy (36)
„We waren een normaal en hecht gezin, al vonden andere mensen ons wel eens interessant en had ik een andere huidskleur dan de andere kinderen op school. Mijn broers en zussen voelden als normale broers en zussen, ik denk omdat we gevormd zijn door onze ouders. We lijken op ze, alleen biologisch niet. Dat besef kwam later naar voren, ik denk zo aan het eind van de middelbare school.
We waren een divers gezin, altijd drukte, aan tafel waren er altijd verhalen. Dat we zo hecht zijn, is denk ik vrij simpel te verklaren: heel veel liefde. Liefde, zorg en aandacht waren er altijd. Mijn ouders hielden en houden heel veel van ons en dat voerden ze door in hun opvoeding. Hun normen en waarden werkten gewoon.
Wat wel eens lastig was, ik denk dat dat zo gaat in een gezin met zes kinderen, is dat mijn ouders één aanpak hadden voor iedereen. Daardoor golden voor mij dezelfde regels als voor bijvoorbeeld mijn rebelse broer. Ik voelde me wel eens ten onrechte belemmerd in mijn vrijheid.
Op mijn 25ste vond mijn biologische familie in Brazilië mij, via social media. Ik heb ze later ontmoet en herkende bepaalde trekjes in mijn broer en zusjes.
Ik heb veel nagedacht over hoe mijn leven er zou hebben uitgezien als ik niet geadopteerd was. Ik had niet willen ruilen met mijn broer en zusjes die in Brazilië zijn gebleven. Wie weet had ik daar ook zo’n prettig leven gekregen als ik nu heb, maar het is daar veel complexer om te slagen. Je krijgt er minder kansen.
In de regel vind ik dat je kinderen zo dicht mogelijk in de buurt zou moeten adopteren. Ik beschouw mezelf als uitzondering. Mijn moeder was zelf nog een kind toen ze mij kreeg. Ik ben blij en dankbaar dat ik geadopteerd ben.’’