De tent van Ben naast de IKEA. Foto: Willem Groeneveld
Op de parkeerplek tussen de Mediamarkt en Ikea in Groningen verblijft sinds enige tijd een dakloze. Hij begon met een stuk zeil gespannen over een winkelkar en fiets, inmiddels staat er een tent.
Vrijdagmiddag ligt de omgeving van het kleine tentje bezaaid met rommel. Van lege blikjes, lege pannen, gereedschap, stokken, sjorbanden tot afwas en vuilniszakken. Achter de tent staat nog een provisorisch gebouwde verblijfplaats. Een stuk zeil is over een fiets en wat kratten gespannen. Een fatbike blokkeert de ingang, verderop staat een gewone elektrische fiets. Het is een komen en gaan van daklozen die wat rondscharrelen.
Troosteloos en toch tevreden
De parkeerplek ligt er op zondag weer keurig bij. Alle troep is opgeruimd. Ben (66) zit in zijn tent. We zijn welkom voor een gesprek. Sterker: hij wil graag dat zijn verhaal bekend wordt. Hij zit er niet voor zijn plezier.
Er staat een gure wind. Zonneschijn wordt afgewisseld met buien en soms hagel. Daar is binnen weinig van te merken. Op de grond liggen rubberen matten die de kou tegenhouden. Ben zit met zijn blote voeten in de tent.
In de hoek staat een mand met persoonlijke spullen en wat gereedschap. Tegen het tentdoek aan liggen tassen. Op de rubberen matten ligt een bak eiersalade naast een zak met bolletjes. Daaromheen staan wat lege bierblikjes. Het oogt troosteloos, maar Ben zit er redelijk tevreden naast. Een groot sjekkie bungelt op zijn lippen. „Geen joint hoor”, zegt Ben. „Gewoon tabak.”
Ben zit tevreden in zijn tent. Foto: Willem Groeneveld
De dag waarop zijn leven vastliep
Ben is 66 jaar geleden geboren in het Westen. Tot een paar jaar geleden had hij zijn leven behoorlijk op orde. Een makkelijke weg was het niet, maar hij was kunstenaar - ”ik noem het altijd prutsenaar” - en had een woning in Enschede met daarboven een atelier. In zijn vrije tijd reed hij graag rond op zijn motor, een stoere Harley Davidson.
Zo ook die ene middag 3,5 jaar geleden waarop de neerwaartse spiraal van zijn leven werd ingezet. „Ik had mijn (soldaten)helm op, droeg een t-shirt met daaronder een dikke ketting. Het zonnetje scheen, ik was goed te pas en vriendelijk voor de mensen om me heen en ging op een gegeven moment een paar biertjes halen. Toen ik mijn motor neerzette, sprak een agent me aan en even later werd ik in de boeien geslagen. Ze zeiden dat ik met de ketting aan het zwaaien was terwijl ik rondreed op mijn motor.”
Een onzinnige verklaring, vond Ben. „Dat was technisch niet eens mogelijk. Die motor was hartstikke zwaar. Het lukte echt niet om te rijden en tegelijk te zwaaien met een ketting. Maar daar hadden ze geen boodschap aan.”
Aan die verklaring hadden de agenten geen boodschap. Ben werd meegenomen naar het bureau en wordt later overgedragen aan Mediant, de GGZ-instelling die zich in Twente bekommert over mensen met psychische problemen.
Isoleercel
„Ik werd in een klein kamertje geduwd terwijl er acht man intimiderend om me heen stonden. Ik heb altijd een woedeprobleem gehad maar met de juiste hulp had ik veertien jaar geleden geweld afgezworen, maar op dat moment in dat kamertje knapte er iets. Ik pakte de ketting, wikkelde die om mijn hand en pols en heb ze allemaal aangepakt. Het werd zwart voor mijn ogen."
Het resultaat van de woede-uitbarsting was dat Ben in de isoleercel werd gezet. „Ze wilden dat ik een scheurjurk (een kledingstuk dat niet kan worden verscheurd waardoor de repen niet gebruikt kunnen worden om zelfdoding te plegen - red.) aantrok. Maar ik ben geen vrouw, ik trek toch geen jurk aan?”
Daarop werd Ben, volgens eigen zeggen, naakt met twee dekens in de isoleercel gegooid. „Ik dacht dat ik gek zou worden in de isoleercel. Het was een betonnen kubus gevuld met niks en zonder ramen. Ik moest er echt voor waken dat ik niet mijn hoofd kapot zou beuken op de muren.”
Een opmerkelijk gezicht afgelopen vrijdag. Er ontstond een compleet kampje naast de Ikea. Foto: Willem Groeneveld
Radeloze schreeuw om hulp
Een paar dagen later mocht Ben naar een gewone afdeling. „Daar was ik erg blij mee, maar op die afdeling wisten ze niet echt wat ze met mij aan moesten. Er was niet veel met me aan de hand, ik lag alleen emotioneel een beetje in de knoop. Uiteindelijk hebben ze me naar huis gestuurd.”
Thuis lukte het Ben niet om de draad weer op te pakken.
„In mijn jeugd had ik veel woedeaanvallen. Ik heb toen geleerd mijn boosheid of frustraties niet op te kroppen maar direct te uiten om te voorkomen dat ik op een gegeven moment explodeer. Die controle ben ik kwijtgeraakt in de isoleercel. Bij de wijkagent en maatschappelijk werk heb ik in die periode vaak om hulp gevraagd. Ze zagen allemaal dat het niet goed ging, ze hebben overleg gevoerd en me uiteindelijk wat valium gegeven. Maar verder veranderde er niets aan mijn situatie.”
Daarop besloot Ben in een vlaag van radeloosheid om zijn hele huis en inboedel te slopen. „Ik heb alles kort en klein geslagen en mijn huisraad door de ramen gegooid. Op die manier probeerde ik om hulp te vragen.”
Brandwondencentrum Martiniziekenhuis
De hulp kwam er niet. Wel raakte Ben zijn woning kwijt. „De huurbaas zei per direct het contract op. Ik stond op straat.”
Naar de opvang wilde Ben niet gaan. Daar was en is hij een te vrij gevochten man voor. Ben regelde een vouwwagen, plaatste die ergens in Enschede en stopte al zijn spullen er in. Het was geen luxe, maar hij zat wel droog en had iets voor zichzelf. Totdat het noodlot toesloeg. „Ik was een peukje aan het roken in bed en lette even niet goed op. Even later stond de hele tent in de brand, inclusief mijn zogenaamde onbrandbare dekbed.”
Van de tent was niks meer over. Alle spullen en kleding van Ben waren naar de gallemiezen. Ben kwam zelf ook niet ongeschonden uit de strijd. Hij liep zware brandwonden op en belandde in het brandwondencentrum van het Martiniziekenhuis in Groningen. „Daar heb ik een tijd gezeten. Ze hebben allerlei operaties uitgevoerd waarin ze de huid van mijn benen op mijn borstkas hebben geplaatst. Dat deed erg veel pijn, maar na een tijdje was het genezen en werd ik ontslagen uit het ziekenhuis.”
Vrijdag was het een zooi rondom de tent. Zondag had Ben alles opgeruimd. Foto: Willem Groeneveld
Voor de tweede keer stond Ben op straat
Voor de meeste mensen is dat een heugelijk moment. Voor Ben was dat niet het geval. „Ik stond weer op straat, maar nu in een wildvreemde stad.” Die wildvreemde stad werd al snel zijn nieuwe thuis. „De mensen waren vriendelijk en omdat ik er met de bandages vanwege de brandwonden zielig uitzag, werd ik overal geholpen.”
Reden genoeg om te blijven hang in Stad. Als een nomade trok hij rond totdat hij een kampje maakte op het verlaten parkeerterrein. Daar zit hij naar volle tevredenheid. Andere daklozen weten hem te vinden voor hulp, wat tabak of om even iets veilig te stallen. Tijdens het gesprek scharrelt een dakloze in de bosjes om de tent heen. „Heb je ook blikjes”, vraagt hij. „Jawel”, antwoordt Ben met een grote glimlach. „Maar die verzamel ik zelf. Ik heb helaas niks voor jou.”
Droom
Op zich zit Ben prima in de tent. Hij heeft privacy - „die heb je in de opvang niet”-, iets voor zichzelf en de tent houdt de wind en regen buiten. Maar uiteindelijk hoopt de dakloze op een betere toekomst „Ik heb veel ellende gezien en meegemaakt. Dit is een snoeihard leven, maar ik droom nog steeds dat ik hier ooit uitkom. Over een paar jaar wil ik weer muziek en andere dingen maken.”
Door zijn verhaal te delen, hoopt Ben tot slot dat er wat meer begrip ontstaat over daklozen en andere mensen die leven op de rafelranden van de maatschappij. Bang dat die aandacht de autoriteiten wakker maakt en hij wordt weggestuurd is hij niet. „Dan vind ik wel weer een ander plekje.”