Bernard van der Leij op het terrein dat hij met zijn bedrijf moest verlaten.
Twintig miljoen euro schadevergoeding wil het Groninger metaalrecyclingsbedrijf Simmeren Schroot. De gemeente Groningen zou dit moeten betalen als schadevergoeding voor de verhuizing waartoe de gemeente het bedrijf dwong.
De juridische procedure tussen het metaalrecyclingsbedrijf en de gemeente loopt nu bij het Gerechtshof in Den Bosch. Het is de eindfase van een ruim dertig jaar slepende juridische strijd, waaraan het bedrijf al die jaren al ruim één miljoen euro besteedde.
De gemeente wilde vanaf 1986 dat het bedrijf vertrok van de Ulgersmaweg waar het bedrijf de groei van de stad in de weg zou zitten. Op dreiging van onteigening verkaste het bedrijf uiteindelijk naar een bedrijfsterrein vijf kilometer verderop. De gemeente betaalde acht miljoen euro verhuiskosten.
Het bedrijf claimt dat er een afspraak bestond dat er ook een schadevergoeding zou komen voor de geleden bedrijfsschade die het jarenlange getouwtrek over de locatie het bedrijf bijna de nek kostte. De gemeente weigert dit echter. Volgens de stadsadvocaat is die afspraak nooit zo vastgelegd.
Met de rechtszaak in Den Bosch wil Simmeren bewijzen dat die afspraak er wel degelijk lag. Als Simmeren Schroot in het gelijk wordt gesteld, komt het schrootbedrijf met een claim van circa twintig miljoen euro.
Dat bedrag is gebaseerd op een schaderapport van prof. dr. Joop Bouma, RUG-hoogleraar economie en bedrijfskunde, die vaker advies verstrekte aan de gemeente Groningen als onafhankelijk adviseur.
In dat rapport oordeelt de professor keihard over de handelswijze van de gemeente: „Het bedrijf is in de afgelopen twee decennia ernstig belemmerd in haar voortbestaan en ontwikkeling door de gemeente Groningen. In de jaren dat de dreiging van de verhuizing boven Simmeren heeft gehangen, heeft de leiding van deze onderneming onnodig in onzekerheid verkeerd.”
De Groninger gemeentewoordvoerder Niko Beets zegt desgevraagd niks te weten van een juridische procedure tussen de gemeente en het schrootbedrijf: „Er is hier niks bekend van een actuele juridische procedure, die van een paar jaar geleden ken ik wel.”
Maar heeft inzage in alle juridische stukken die de afgelopen maanden en weken zijn geproduceerd door de gemeenteadvocaat, Mert Kremer van Trip Advocaten, en de advocaat van het bedrijf, Martin Gans van advocatenkantoor PlasBossinade. De zaak staat voor komende woensdag weer op de rol bij het Gerechtshof.
Begin dit jaar sprak ook de Hoge Raad zich uit over het conflict tussen de gemeente en het bedrijf. De gemeente claimde dat de kwestie was verjaard, maar volgens het arrest van de Hoge Raad is dat onzin. De hoogste rechter verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Bosch.
De gemeente vindt het schaderapport van de professor eenzijdig. In de stukken stelt de stadsadvocaat dat de hoogleraar het bedrijf ‘naar de mond heeft gepraat’, tot woede van de professor.
In een gerechtelijk stuk van 17 mei 2016 verklaart de hoogleraar: „Ik betreur het dat de gemeente meent mijn wetenschappelijk professionele integriteit op deze wijze in twijfel te moeten trekken, nu dit haar in dit geschil kennelijk beter uitkomt.” Toenmalig burgemeester Wallage weigerde in gesprek te gaan met de hoogleraar: „Indien Simmeren meent nog een claim te hebben, zullen zij zich tot de rechter moeten wenden”, schreef hij de professor.
René Bolle, CDA-fractievoorzitter in de Groninger gemeenteraad en in het dagelijks leven bedrijfseconomisch adviseur, vermoedt dat de claimkwestie amper bekend is bij collega-gemeenteraadsleden: „Bijna niemand weet hoeveel geld er door de gemeente tegen deze zaak is aangegooid.” Hijzelf heeft er onderzoek naar gedaan in de archiefsystemen.
Hij eist opheldering van het stadsbestuur. Bolle wil weten hoeveel euro de gemeente op jaarbasis verstookt aan juridische kosten, in deze en andere slepende dossiers. „Als wij dat als raadsleden al niet weten, tast de burger al helemaal in het duister.”
Volgens Bolle is de Simmeren-claim uitzonderlijk qua grootte. „Een bizarre kwestie, maar ik ken meer voorbeelden van mindere omvang. Ik wil nu precies weten: hoeveel rechtszaken lopen er überhaupt? Wie besluit binnen de gemeente om een slepende zaak te schikken of maar dóór te blijven procederen?”
Bolle is verbaasd dat de gemeentewoordvoerder zegt „van geen actuele zaak” te weten. „Het moet binnen de gemeente toch bekend zijn dat deze zaak speelt?”
„Ik heb het vermoeden - daarop lijkt het in deze zaak althans - dat de gemeente het beleid heeft gehad om door te procederen totdat de tegenpartij opgeeft. Hoe is dat in andere zaken? Hoeveel ondernemers zijn in een procedure tegen de gemeente moedeloos afgehaakt? Wie bepaalt binnen de gemeente hoe hoog de juridische kosten mogen oplopen?”
Bolle noemt strijden tegen de gemeente - via ingehuurde advocaten van gerenommeerde advocatenkantoren - per definitie een „ongelijke strijd”. „Dat is geen gelijk speelveld. Ondernemers moeten elke euro eerst verdienen voordat ze die aan advocaten kunnen uitgeven.”