De bijzondere omstandigheden van een zonnepark leiden tot nieuwe combinaties van soorten. Foto: Jacob van Essen
Zonneparken in Groningen en Drenthe ontwikkelen zich tot hotspots voor biodiversiteit. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) onder leiding van bioloog Raymond Klaassen. Maar het is niet alleen maar positief.
„Het is echt een genuanceerd verhaal”, begint onderzoeker Klaassen. Ja, de biodiversiteit op zonneparken is hoger geworden dan in het omliggend gebied, zowel in aantallen dieren als in aantal soorten. Maar de soorten die van oudsher op de akker voorkwamen – weidevogels, veldleeuweriken of bepaalde kevers – blijven weg. Het gebied is niet meer open genoeg voor hen.”
In het onderzoek keken de RUG-onderzoekers naar enkele grote zonneparken in Groningen en Drenthe zoals zonnepark Harpel bij Vlagtwedde, Duurkenakker bij Zuidbroek, en parken bij Midden-Groningen, Roodehaan en Buinerveen.
Niet in elk park was de biodiversiteit hoger. Nieuwe soorten kwamen vooral als ontwikkelaars bewuste keuzes maakten. „Biodiversiteit die parken opleveren zit ‘m niet in die panelen”, verklaart Klaassen. „Eerder in een heg om het park of resthoekjes met ruigte. Daar zit de speelruimte van de ontwikkelaar waar echt unieke natuur kan ontstaan.”
‘Nieuwe’ natuur ontstaan
Maar áls er ecologische keuzes zijn gemaakt, dan zie je echt leuke dingen op zo’n zonnepark, vindt Klaassen. „Wat ik als bioloog grappig vindt, is dat er combinaties van soorten komen die in het wild nergens anders voorkomen. Er ontstaat nieuwe natuur die nog niet bestond.”
Zo zie je een bijzondere mix van broedvogels: een geelgors die normaal broedt in open boerenland, maar ook koolmezen, die een bossoort zijn. En ook een witte kwikstaart, een soort die veel bij bebouwing broedt. „Zulke vogels zouden elkaar normaal in het wild niet snel tegenkomen.”
Witte Kwikstaart bij het zonnepark Stadskanaal. Foto: Sylvia de Vries
Toch zijn zonneparken niet alleen maar goed voor de natuur. „De soorten die van nature voorkomen in het open landschap profiteren er niet allemaal van. En die typische akkersoorten vinden we ook belangrijk en willen we graag beschermen.”
Middenin weidevogelgebied moet je dus eigenlijk geen zonneparken willen hebben, zegt Klaassen. „Die jaag je weg. En als er toch een zonnepark in zo’n gebied komt, en de ontwikkelaar wil iets betekenen voor die open weide- en akkersoorten, dan zou hij moeten inzetten op externe compensatiegebieden.”
Speciaal gekeken naar loopkevers
Een opvallende rol in het onderzoek is weggelegd voor loopkevers, die een goede indicator zijn voor de ecologische kwaliteit van een gebied. Deze insecten reageren sterk op variaties in bodem, schaduw, vocht en vegetatie. Blijkbaar waarderen verschillende soorten kevers de schaduwrijke omgeving onder panelen, waar geen landbouwmachines komen en planten meer kans krijgen zich te ontwikkelen. „Eigenlijk zijn het rare condities,” zegt Klaassen, „er is wel schaduw, maar geen humuslaag. Dat zie je nergens in de natuur.”
In zonneparken in onze regio worden aanzienlijk meer loopkevers gevonden dan op omliggende landbouwgrond. Maar ook hier weer de nuance: enkele typische akkerkevers bleven juist weg van de zonneparken.
De bevindingen zijn tussentijdse resultaten van een onderzoek vanuit de RUG dat nog langere tijd loopt.