Ecologisch onderzoek op Zonnepark Vierverlaten door Hester Bax (l) en Marieke Wiersma. Foto: Geert Job Sevink
Een zonneweide is een biowoestijn? Het kan juist een trekpleister voor insecten en bloemetjes worden. Dat blijkt uit jarenlang onderzoek op ‘coöperatieve’ zonneparken.
Op een grasveldje vlak bij de suikerfabriek in Groningen staan blauwe rijen met 7776 zonnepanelen. Het is een mooie dag, dus de kastjes zoemen hard om de omgezette zonnestraaltjes het elektriciteitsnet in te pompen. Tussen de rijen loopt Marieke Wiersma (51), ecoloog bij de gemeente Groningen. Naast haar wandelt Hester Bax (26) van lokale energiecoöperatie Grunneger Power, eigenaar van deze zonneweide.
Ze knielen tussen de boterbloemen, als Bax plots een oranjebruin vlindertje spot. „Een hooibeestje”, roept Wiersma enthousiast. „Wat een beauty. Die hadden we het eerste jaar ook, maar vorig jaar zag ik hem niet meer. Tof, die vlinder houdt van schraal grasland.”
Het tweetal telt hier de plantjes om de biodiversiteit te bepalen. Wiersma doet dat als vrijwilliger. „Grotere parken hebben geld voor betaald ecologisch onderzoek, maar juist dáár gaat men vaak voor een zo groot mogelijk financieel gewin.” Voor de coöperatieve zonneparken, die door lokale bewoners zijn gestart, is een extra metertje tussen de panelen vaak minder problematisch, omdat de lokale initiatiefnemers biodiversiteit doorgaans hoog in het vaandel hebben.
Het gespotte hooibeestje. Foto: Geert Job Sevink
De reden dat Wiersma zich in haar eigen tijd inzet, is dat ze wil bewijzen dat zonneweiden niet slecht hoeven te zijn voor de natuur. Recent publiceerde ze, samen met de Natuur en Milieufederatie Groningen, het rapport Biodiversiteit op coöperatieve zonneparken over onderzoek op de parken SunBrouck van Duurzaam Menterwolde, Zonneweide Glimmen en Vierverlaten van Grunneger Power, waarin ze concludeert dat ‘de energietransitie en een gezonde omgeving met meer biodiversiteit hand in hand kunnen gaan’.
Mazzeltjes
Rond 2018, toen Wiersma zonneparkontwikkelaar voor Grunneger Power was, hoorde ze voor het eerste over de term ‘biowoestijn’ op zonneparken. „Dit park bij Vierverlaten stond er toen nog maar net. Ik zag mooie planten en er sprongen kikkers rond. Ik dacht: hoezo woestijn?”
Maar meten is weten. En dus richtte Wiersma een clubje op met medewerkers uit andere energiecoöperaties om de biodiversiteit van zonneparken te meten. „Wij wilden weten: hebben wij hier toevallig mazzel?”
Ze ontdekte al gauw dat het nogal uitmaakte dat de panelen op het oude bedrijventerrein bij Vierverlaten niet al te dicht op elkaar zijn gezet. Ook kwam het goed uit dat de panelen hoger boven de grond zijn geplaatst dan gebruikelijk. Daardoor komt er genoeg licht onder voor schaduwminnende soorten zoals varens, mossen en hondsdraf. Bij Glimmen en Hoogezand is er meer kale en droge grond, omdat de panelen lager staan. Verder is het park niet geëgaliseerd, waardoor sommige delen natter zijn, iets wat de soortenrijkdom ten goede komt.
Het zijn eigenlijk mazzeltjes, want zo grondig is er bij dit zonnepark niet over nagedacht. Niet egaliseren was goedkoper en de panelen stonden eigenlijk hoger van de grond, omdat er schapen onderdoor moesten lopen. Maar al gauw bleek dat het vee alle bijzondere planten wegvrat. Dus: dag schapen en hallo grasmaaier.
Detailwerk
Wiersma en Bax leggen samen een vierkant neer dat is gemaakt van gele, plastic buizen. In die vierkante meter gaan ze tellen wat er groeit. „30 procent is bedekt met pitrus”, concludeert Wiersma. Ze kriebelt wat op haar papier. Ze telt verder. „Ik zie twee ridderzuring. En kruipende boterbloem, even kijken: drie, vier, vijf exemplaren.”
Ook onder de zonnepanelen tellen Hester Bax (26) en Marieke Wiersma (56) veel verschillende plantjes. Foto: Geert Job Sevink
„Zeg het maar: riet of rietgras?”, overhoort Wiersma haar jongere collega tijdens het tellen. Bax kijkt goed. „Er zitten geen haartjes op. Dus het is rietgras.” Wiersma kijkt haar prijzend aan. „Heel goed en hier zit een vliezig tongetje onder de blaadjes.” Determineren is detailwerk.
Ze bekijkt elk jaar dezelfde vakken, zodat ze kan zien hoe de soortenrijkdom zich ontwikkelt. Daar hoopt Wiersma in de toekomst nog eens vaker een rapport over te schrijven.
Tipjes van de onderzoeker
Als Wiersma een tip zou moeten geven aan zonneparkontwikkelaars, dan is het dat er minimaal 3 tot 3,5 meter tussen de zonnepanelenrijen moet zitten. „Anders wordt het al gauw te droog en te donker. ‘Zonnepanelendakjes’ zoals bij Zuidbroek aan de A7 zijn een no-go. Als je die panelen na 25 jaar opruimt, is de grond helemaal dood en zal er voorlopig niks meer groeien.”
Planten onder de zonnepanelen. Door de hoogte kan er genoeg licht en water onder komen. Verderop staan de boterbloemen van de zonnestralen te genieten. Foto: Geert Job Sevink
Vooruit, nog een tipje dan. Egaliseer het terrein niet, zegt Wiersma. Zo creëer je nattere plekken en stukjes die geschikter zijn voor struiken. „Het moet vochtig, divers en licht blijven.”
Natuurlijk maakt ook de grond uit. Hier in Hoogkerk is het klei, veen en puin. Op de stikstofrijke grond hoef je geen erg zeldzame soorten te verwachten. Dat is anders bij de zanderige grond van het zonnepark in Glimmen, waar men de voedingsrijke bovenlaag heeft weggehaald, en de soorten van de Hondsrug weer een kans krijgen.
Maar ook hier in Hoogkerk is Wiersma maar wat trots op de zegge, pinksterbloemen, grasmussen, torenvalk en kikkers. En het hooibeestje natuurlijk. „Van dit werk word ik heel erg blij.”