Lamert Kieft döt verslag van de gebeurtenissen in zien woonplaots, argens in Zuudwest-Drenthe. Beeld: Coen Berkhout | Midjourney
Hun loodzware doch moeilijke werk wordt er niet makkelijker op daar polities seins ook optreden moet als informatricies voor toeristen en zo wat heen, als het ware in een ‘kokerrokje’ plus hoge hakken en dito sjaal en zij dat er óók nog wel even bij hebben kunnen.
Het was dan ook geen wonder dat er op de oude opperwachtmeester Jalving van de plaatsenlijke politie aanstonds een bijzonder zware ontstemmink nederdaalde toen als er verleden week drie onbekende doch luidruchtige manlui binnentraden en ongewenschte vragen stellen gingen in het politiebureau. „Schönen guten Tag, Herr General!”, aldus één der manlui, „wo wohnen dann bitte hier im Dorf die Damen von Vergnügen, ja? Wir wollen uns ein wenig vertreten hier; wir haben gute Laune, nicht Jungs? Donnerwetter, alles klar! Zum Bumsen und Vögeln geht’s, verdammt noch mal”, aldus deze.
Babbelonische spraakverwarrink
Zo werden dan de opper Jalving diens stoutste vermoedens helaas direct al bewaarheid, namenlijk drie mannenlijke Turisten der Duitsche kunne, welke zo te sehen er op uit waren onsmakenlijke doch erotieke lüstgevoelens na te jagen bij ons in het dorp. En het was maar goed dat de opper Jalving vloeiend diens talen spreekt, anders had het wel eens heel anders aflopen gekund en was er garandeerd een ernstige doch babbelonische spraakverwarrink ontstaan! „Ach zo!”, aldus de opper, „Sie kommen alzo hierzoot ein bisschen rundboemsen, ja? Aber eben für oen Information: boemsen kunnen wir hier glühende glünige garrietz selber wel, ja! Dort habben wir kein Auslanders und aander rapallie für nötig, mit heur kürze jann ein bisschen in de rondte te zweeien. Halten Sie daor bitte gut Rechnung mit!” aldu sde opper Jalving, tot verbazing der Duitsche doch erotieke Turisten.
„Aber Herr General!”, aldus één der Turisten, een zekere Hanz-Klausie Nochwass, „wir wollen nur die Ekonomie der Holländer ein Bisschen stimulieren; nicht Jungs?”, doch bleef de opper Jalving onverbiddenlijk.
Schmoetzige spellegies
„Ie kunt in oen eigen Heimat boemsen waj mar wilt, al zal dat grootkaans gien mooi gezichte weden”, aldus hij, „mar hier warkt de Polizei nicht an die schmoetzige spellegies mit. Wir sind glühende garrietz kein Bemittelungsburo für Schnollebellen of so was hin, das sie marchieren mar rap wieder auf, ja!”
Wie had gedacht dat de kousen hiermede af waren voor de opper Jalving, welnu: die vergist zich wel heel deerlijk alhier! Daar de opper niet lang hierna bezoek kreeg van dhr. Lukas Hoving, als hooggeplaatste beambte zijnde aan de gemeente alhier. „Jalving, wij hebt ’n klacht aover oe ontvangen van de Duutse ambassade in De Haag, dus van oenze zeer gewaardeerde oosterburen” , aldus dhr. Lukas Hoving, „ie zulden vredelievende, kapitaalkrachtige Duutse toeristen belangrieke economisch-toeristische info eweigerd hebben. ’t Spiet mij wel Jalving, mar daor begriep ik dus niks van. Duutslaand is ien van oenze belangriekste bevriende naties; daor hef ok de plietsie rekenschup mit te holden; dèenk der goed umme”, doch was de opper Jalving hier zeer zeker niet van onder de indruk. „Bevriende nazi’s, bevriende nazi’s?”, gromde hij, „’t is daj der zelf aover begunt, Luuks, mar mit bevriende nazi’s hew in ’t verleden gloeiende garriet meer as genog ellende beleefd, of niet dan. En ‘k hebbe geern dat de politiek en de ambtenaren zuk niet mit ’t wark van de plietsie bemeuit, want dan kuw oes gloeiende garriet net zo goed drek wel opknuppen. ’t Zul niet de eerste maol weden dat de hoge heren der een bende van maakt mit menare; wij kunt daor vloei…eh gloeiende garriet alle dagen de trieste resultaten va nzien”, en de opper Jalving wenkte dat dhr. Lukas Hoving wat hem betrof wel weer gaan mocht, daar dit en ander ambtenlijke gezeur hem behoorlijk uit de hals hangen kwam.