Jan Pieter van der Plaats runt het biologisch akkerbouwbedrijf It Griene Strân net buiten Workum. Sjoerd (links) helpt hem bij dit streekproduct. De aardappels worden afgelopen jaren verkocht via particulieren en De Streekboer. Foto: Niels de Vries
De ‘Oogst van Groningen’ van 3,2 miljoen euro is deze maand begonnen. Een nieuwe poging om de ‘korte keten’ op te tuigen, waarbij voedsel een korte weg aflegt, van akker naar bord. We praten al jaren over zo’n korte keten, toch is het moeilijk. Ondernemers zoals de Streekboer, die het proberen, gaan failliet.
Een gegroefde, kleiige boerenhand trekt een prei uit de aarde. Goedkeurend kijkt de boer naar zijn groente, klopt de modder eraf en legt hem in een plastic krat in de winkel vooraan op het erf. Zíjn gewas, zíjn inzet, zíjn winst: de korte keten in een notendop.
Met eigen voedsel in de regio maak je je minder afhankelijk in tijden van conflict of oorlog. Alle Nederlandse huishoudens ontvingen in december het pamflet Bereid je voor op een noodsituatie, met daarin de tip om blikken bonen, noten en flessen water in te slaan. Twee onderzoekers van de Wageningen Universiteit betoogden onlangs in Het Parool dat dat vooral ‘geruststellend oogt’. Je kunt er weliswaar een paar dagen mee overleven in een crisis. ‘Maar echte voedselzekerheid gaat veel verder dan een gevulde voorraadkast’, schrijven zij. ‘Om voedselzekerheid voor iedereen te garanderen, moet een stad of land ook bij langdurige verstoringen iedereen voedsel kunnen blijven leveren.’ Daarvoor is volgens hen een robuust voedselsysteem in de buurt nodig.
Voedsel lokaal houden kent daarnaast voordelen voor het verdienmodel van de boer en de gezondheid van de consument. Als je voedsel versleept tussen loods, verwerkingslocatie, distributiecentrum en supermarkt is het lang onderweg. De versheid en voedingswaarde nemen af. Voor de reis is bovendien een hoop brandstof nodig. De boer moet ondertussen zijn winst delen met allerlei tussenpartijen.
Maak je de voedselketen korter dan scheelt het brandstof, blijft voedsel verser en krijgt de boer een groter deel van de opbrengst. Boeren die rechtstreeks vanaf het land leveren zijn in de regel kleinschaliger en proberen meer rekening te houden met het landschap. Consumenten voelen zich meer verbonden met eten uit hun ‘achtertuin’.
Het hoeft dus niet te verbazen dat de korte keten in zwang is bij beleidsmakers. Het thema staat voor iets groters: een landbouwsysteem met een goed verdienmodel voor boeren en een minimale impact voor de omgeving.
Ploegen in oktober, om weer nieuwe gewassen te kunnen verbouwen in het nieuwe seizoen. Foto: Niels de Vries
Overheden willen graag
Er gebeurt van alles om de korte keten een steuntje in de rug te geven. Zo is vorige week – na zes jaar bakkeleien – de pot van 3,2 miljoen gestart die de ‘Oogst van Groningen’ heet. Met dit initiatief onder de vlag van Toukomst (het Nationaal Programma Groningen) moeten duurzame korte voedselketens ontstaan van eten uit eigen regio.
Ondertussen hebben de provinciebesturen van Drenthe, Friesland en Groningen in een jaar tijd allemaal een nieuw landbouwprogramma vastgesteld waarin de korte keten wordt benoemd. Ook is er een nieuwe samenwerking bezegeld in de Agro Agenda, een samenwerking van overheid, agrarische bedrijven, kennisinstellingen en natuurorganisaties.
We kunnen ons land vanuit het Noorden opnieuw een economische impuls te geven
Er gebeurt van alles, ziet Christine van der Vorm. Zij heeft een adviesbureau voor regionale samenwerking en denkt al meer dan twintig jaar mee over de korte keten. „Nu is er nog één grote vraag. Iedereen moet wat doen, maar als iedereen alleen zijn eigen rol neemt, ben je er nét niet. Wie bouwt die missende brug? Wie durft in Noord-Nederland een ‘kleintje landbouwakkoord’ te realiseren?”
„Noord-Nederland heeft historisch altijd een belangrijke rol gehad in de Nederlandse economie, met goede grond en hoogopgeleide boeren. Wat we kunnen doen door hier te investeren in onze landbouw is echt geen klein bier. We kunnen ons land vanuit het Noorden opnieuw een economische impuls te geven.”
Sleets thema
Maar zijn de plannen voor een ‘korte keten’ inmiddels niet een beetje sleets geworden? De afgelopen vijftien jaar struikelde je over de beleidsstukken. In 2012 stelde de regio Groningen-Assen al een ‘voedselvisie’ vast. De Friese Landbouwagenda 2021-2030 bejubelde in 2020 al de korte keten. Onder meer gemeenten Groningen, Midden-Drenthe en Leeuwarden maakten voedselvisies en agenda’s. De gemeente Groningen liet op 23 juni dit jaar een convenant ondertekenen om korte ketens te bevorderen.
Initiatieven die de korte keten probeerden op te zetten, gingen ter ziele. Bionoord ging afgelopen najaar failliet, afgelopen najaar ook Rechtstreex uit Rotterdam en Lokalist bij Utrecht. In voorbije jaren gingen de Graanrepubliek in Bad Nieuweschans en de Gebiedscoöperatie Westerkwartier ter ziele. Dat heeft weliswaar inzichten opgeleverd, maar een deel van de energie en het subsidiegeld is verdampt.
Bakker Wiebrand had een bakkerij in de Graanrepubliek in Bad Nieuweschans waar hij met streekingrediënten onder andere desembroden en roggebrood maakt. Foto uit 2020. Foto: Huisman Media
En dan als klap op de vuurpijl is ook De Streekboer deze week failliet gegaan, het bedrijf dat lokaal voedsel van de boer naar consumenten probeert te brengen. Tot groot verdriet van oprichter Sandra Ronde. „We hebben te lang geloofd dat consumenten hun koopgedrag vanzelf zouden aanpassen zodra de voordelen van lokaal voedsel duidelijk werden.”
Dat gebeurde niet. „Een zeer krachtige lobby van grote ketenpartijen – regionaal, nationaal én Europees – zorgden ervoor dat het winkelmandje uiteindelijk gevuld bleef met goedkoper, grotendeels geïmporteerd voedsel.”
Ronde is kritisch op de overheid. „Als de overheid écht had gewild dat de korte keten zou slagen, dan waren we daar allang geweest. Dat zie je ook bij dossiers als het rook- en vuurwerkverbod: als er politieke wil is, kan het snel. De korte keten lijkt voor de politiek vooral interessant in verkiezingstijd; daarna verdwijnt het onderwerp weer onder in de lade.” Ze heeft er wel begrip voor dat het de lokale overheid niet altijd lukt. „Maar landelijk moet er een heldere beleidsvisie komen over de toekomst van de landbouw in Nederland.”
Een bedrijf dat nog wel zaken doet, is het groentebedrijf Botmas in Engwierum. Zij leveren hun lokale, biologische groenten aan meerdere zorgpartijen. Maar dat blijft een uitdaging, vertelt oprichter Folkert Botma. „We doen het met een flinke dosis passie, maar de korte keten is best een strijd. Iedereen vindt het mooi, maar het vergt overredingskracht om partijen anders te laten kopen en bestellen. Dan vraag ik: ‘Waarom kopen jullie die rode kool niet bij ons?’ Wij zijn soms zelfs goedkoper. Dan zeggen ze: ‘Tja, zo doen we het altijd’.”
Botma: „Wij blijven ons best doen om die duurzame keuze ook de meest verleidelijke te maken.”
‘Korte keten, lange adem’, luidt inmiddels het credo. Al is het maar de vraag of die adem lang genoeg is. In de praktijk holt heel Nederland naar schaalvergroting en intensivering. Het aantal landbouwbedrijven neemt in Groningen, Drenthe en Friesland ieder jaar met enkele tientallen af. Tussen 2000 en 2024 met 43 procent in Groningen, 44 procent in Friesland en 47 procent in Drenthe.
Waarom is het toch zo moeilijk om een korte keten als gemeengoed te krijgen? En heeft het eigenlijk wel zin? Dit zijn tien redenen waarom de korte keten niet eenvoudig is, maar waarin soms ook de oplossing van het probleem zit.
Boeren en producten moeten langs hindernissen en door hoepels springen om voedsel lokaal aan te bieden. Illustratie: Job van der Molen
1. Gewassen in één keer van het land
Landbouwers zien hun producten dolgraag op tafel bij hun dorpsgenoten, maar hun wortels, aardappelen en kolen komen in één keer van het land. Die kun je in een donkere schuur een aantal weken – soms zelfs maanden – bewaren, maar de afzetmarkt in de buurt is veel te klein.
Eén groot boerenbedrijf kan enorme hoeveelheden verbouwen. Het inmiddels gestopte bedrijf Waddenpeen in Usquert teelde 6 miljoen kilo wortels, genoeg om elke Groninger elke week van een portie wortels te voorzien. Wil je dat zoveel mogelijk regionaal houden, dan moet je dus fermenteren, invriezen, conserveren en ze verwerken in sauzen en soepen.
Lokale horecaondernemers zijn vaak wel bereid om zulke producten in iets grotere aantallen af te nemen maar voor hen is het te duur om personeel alles zelf te laten snijden. Ook daar heb je verwerkers voor nodig. Regionale snij-, conservering- of invriescapaciteit.
De conclusie: er zijn veel verschillende partijen nodig om mee te denken over de korte keten.
2. Verwerking is niet regionaal
Stel: je wilt een Gronings speciaalbiertje brouwen van een oud regionaal gerstenras. Je vindt een boer die – meer uit goede intenties dan uit winstbejag – een klein veldje wil inzaaien. De oogst is binnen, en nu?
De grote mouterijen wijzen je de deur: ze zijn ingericht op grote, consistente aanvoer. Je hebt een mouterij nodig die gespecialiseerd is in zo’n kleine batch. Die niet terugschrikt van kleinschalige, seizoensgebonden aanvoer. Maar de enige mouterij die dat doet, zit in Zeeland. En hij is het komende half jaar volgeboekt…
Resultaat: je gewassen moeten alsnog maandenlang in een loods, in een vrachtwagen en daarna weer helemaal met de vrachtwagen terug.
Een van de discussiepunten van de term is: wat is eigenlijk de maximale schaal van een korte keten? Is het erg als je voor de verwerking van groenten een stuk moet rijden? Een beetje logistiek blijft altijd nodig. Er bestaat geen consensus of de ‘korte keten’ Groningen, Noord-Nederland of West-Europa beslaat.
Studenten van mbo-school Firda knutselen gerechten in elkaar van lokale producten. In samenwerking met chefkok Kees Meinderts van restaurant Mearkas in Eastermar. Foto: Jilmer Postma
3. Kost eerst héél veel geld, voor het geld oplevert
Stel dat je toch graag de hele keten regionaal wil hebben, dan is voor het opzetten van een regionale snijlijn of verwerkingsfaciliteit een enorme investering nodig aan tijd en geld.
Zie dat geld maar eens bij elkaar te krijgen. Landbouwers hebben al enorme leningen, zij zitten vaak financieel klem en kunnen niet een verwerkingslijn erbij opzetten.
Soms lukt het wel. Het akkerbouwbedrijf Botmas in Engwierum heeft bijvoorbeeld een eigen snijlijn opgezet om groenten te snijden. Zij leveren hun biologische groenten nu aan zorgpartijen zoals UMCG en ZINN en rechtstreeks aan online winkel Crisp. Dit boerenbedrijf is een uitzondering, ze hadden voor het opzetten ervan naast subsidie ook veel eigen geld.
Zorgcentrum Zinn neemt groenten van Bioboer Folkert Botma af voor gebruik van hun gerechten. Foto uit 2023. Foto: Jilmer Postma
Boeren kunnen vaak wel pionieren met startsubsidies van de overheid. Maar als ze eenmaal lopen, lukt het vaak niet om op te schalen: daar is opnieuw een enorme geldinjectie voor nodig. Zulke subsidies zijn vaak niet geschikt voor de individuele agrarische onderneming.
In de regel geldt: om problemen in de landbouw op te lossen heb je meer partijen nodig dan alleen de boer zelf. Daar zit een moeilijkheid. Voor banken en commerciële investeerders zijn kleinschalige projecten voor regioproducten vaak risicovol. Staatssteun is juridisch complex. Je hebt daarom regionale, private investeringsfondsen nodig; geldschieters die niet uit zijn op winstmaximalisatie.
4. Korte keten: bestaande hokjes doorbreken
Als je voedsel lokaal wil afzetten, heb je niet genoeg aan de paar liefhebbers die houden van wortels waar de klei nog aanhangt. Voedsel komt niet pardoes van het boerenland op het bord van elke noordelijke consument. Het economische marktsysteem is ingericht op de inkoop van grote hoeveelheden. Als je dit regionaal wilt doen heb je daarom meerdere marktpartijen, zorgverzekeraars of verwerkende industrie nodig.
Als zulke clubs aan tafel ontbreken, wie gaat er dan al eerste in beweging komen? In het geval van het Groninger korteketenconvenant zaten in juni met name ambtenaren aan tafel. De mislukkingskans is daardoor groot.
Akkerbouwer Gert Noordhoff verbouwde in 2020 het oertarwe Emmer in Bellingwolde. Foto: Huisman Media
Voor een geslaagde korte keten moet je muren tussen sectoren kunnen afbreken. De gezondheidszorg heeft bijvoorbeeld baat bij lokaal voedsel. Dat is niet alleen duurzaam, maar ook gezond: het is niet bewerkt met conserveringsmiddelen en is niet eindeloos vervoerd. Gezonde voeding kan in de zorg een goedkoop alternatief zijn voor dure medicijnen. Het probleem is nu vaak dat een pilletje tegen obstipatie uit het geldpotje van de zorgverzekering wel gedekt is, maar er geen geld is voor gezonde maaltijden in het zorgbedrijf.
5. Met wie deel je je gedeelde lessen?
Innovaties kosten geld. Maar omdat de boer zelf investeert en risico draagt, is het logisch dat hij die ervaringen voor zichzelf houdt. Opgedane kennis blijft ‘in de schuur’ en kan niet gebruikt worden voor andere boeren.
Beter zou het zijn als boeren gedekt zouden zijn voor tegenvallers van innovatierisico’s, op voorwaarde dat zij hun kennis delen. Niet voor niets is dat ook de voorwaarde van projecten die subsidie ontvangen van het nieuwe project Oogst van Groningen.
6. Politieke spannende term
Ambtenaren lopen op eieren in provinciehuizen. Bestuurders van bijvoorbeeld de BoerBurgerBeweging (BBB) – in alle provincies veruit de grootste – roepen wel dat ze een korte keten willen, maar willen tegelijkertijd vaak niet echt vernieuwen. Bijvoorbeeld omdat dit de belangen van grotere agrobedrijven schaadt. Bovendien hebben ze niet de politieke ervaring om de beloofde korte keten waar te maken.
Het is ook een zoektocht voor overheden: waar hebben zij iets over te zeggen? Het is opmerkelijk dat de gemeente Groningen een wethouder eiwittransitie heeft, want de gemeente gaat helemaal niet over het landbouwbeleid. Dat maakt het recente convenant volgens critici al op voorhand tandeloos.
Daarbij speelt ook nog een rol dat overheden met een verschillende bril naar de term kijken: gemeenten willen graag regiovoedsel vanuit duurzaamheids- en sociale redenen. Provincies willen vooral een goed verdienmodel voor de boer. Als je het niet eens bent over het ‘waarom’ is de kans ook groot dat je het niet eens wordt over waar de subsidies heen moeten.
7. Ambtelijk geneuzel om moe van te worden
Voor boeren en organisaties die iets willen doen in de korte keten, is het soms vermoeiend dat overheden van alles wíllen doen, maar als puntje bij paaltje komt is het allemaal moeilijk en procedureel getouwtrek.
Sandra Ronde van De Streekboer (bedrijf dat lokaal voedsel rondbracht) had meer verwacht van de overheid. Het bedrijf ging deze week failliet. „Ik wil de schuld daarvan niet afschuiven op de overheid. Wel kunnen we constateren dat miljoenen aan subsidies verdwijnen in een log, complex systeem van regelingen, uitvoerende organisaties en adviesclubs.”
Sandra Ronde, oprichter De Streekboer. Foto uit 2021. Foto: eigen beeld
De Streekboer wilde al jaren lokaal voedsel introduceren op basisscholen. Een concreet plan dat paste binnen de kaders van mijnbouwschadesubsidies. Ronde: „Maar hoe verder ik kwam in dat traject, hoe meer regels, loketten en ambtenaren verschenen. Als ondernemer kon ik daar lastig mee omgaan.”
Toegezegde subsidies bleken uiteindelijk maar een fractie van wat nodig was. „Aan het eind van de rit blijft er niets over, behalve gedeclareerde uren van allerlei betrokken organisaties – betaald met gemeenschapsgeld.”
Europese programma’s duren meestal vier jaar en stoppen dan weer. Meestal zijn projecten dan pas net op stoom. Daarna valt alles stil en krijgt een nieuw project geld. Dat is eigenlijk raar.
Stel dat je ‘regeneratief’ wil boeren: een goed regeneratief bodemproces, waarbij een bodem weer leven en veerkracht terugkrijgt, duurt een jaar of zeven. Als je eerst drie jaar plannen schrijft over een project en je bent één jaar begonnen, dan mis je nog zes jaar van de aanlooptijd voor het doel van het project pas is behaald.
9. Afzetmarkt
Lokaal inkopen is vaak niet de basishouding van de consument. Naar de supermarkt toe is sneller en minder gedoe. Een korte-ketenwens is mooi, maar boeren hebben langetermijntoewijding nodig van afnemers. Als een boer langjarige vraaggaranties krijgt, is hij wel geneigd om iets te produceren. Dan worden zijn investeringen immers ook rendabel. Je zou kunnen denken aan scholen, bedrijven en gemeentehuizen waar men toezegt elke week één dag uitsluitend regiovoedsel te serveren in de kantine. En dat voor in ieder geval tien jaar.
Buurtbewoners plukken peultjes bij de opening van een sociale voedseltuin in Heechterp in juni 2025. Foto: Jacob van Essen
10. Alleen maar korte keten is waanzin: export blijft goed
Landbouw in Noord-Nederland is nu grootschalig ingericht. Bestaande agroketens voor melk, zetmeel, eiwit, suikers en vezelhennep in het Noorden zijn efficiënt en brengen veel werkgelegenheid mee.
‘Regionale ketens zijn niet de heilige graal’, concludeert onderzoeks- en adviesbureau Up to Us in de Verkenning activering regionale afzet voor de landbouw uit 2024. De schaal van wat boeren in Noord-Nederland produceren is veel te groot voor de drie (relatief) dunbevolkte provincies. In elk dorp een voedseltuin is prachtig, maar daarmee ga je de bevolking niet voeden. Exporteren blijft dus nodig.
Helemaal omdat de excellente landbouwgrond in Friesland en Groningen enorm vruchtbaar en dus kreunduur is. We zijn hier steengoed in het produceren van pootaardappelen voor de wereldmarkt, waarom stoppen? Korte ketens, kortom, zijn geen universele oplossing; sommige landbouwproducten lenen zich er beter voor dan andere.
Tegelijk erkennen steeds meer boeren dat monoteelt en hoge opbrengstmarges op lange termijn niet houdbaar zijn: bodemverarming, verzilting en klimaatextremen dwingen tot alternatieven. Als de piepers niet meer goed lukken op een zoutere bodem, moet de boer innoveren en kan hij proberen of andere producten voor de regio interessant zijn.
Korte keten: het kan wél. Dit zijn succesverhalen
Voor de goede orde: ja er zijn succesverhalen over de korte keten. Er zijn een heleboel (streek)winkels met regioproducten, eigenlijk te veel om allemaal op te noemen. Daar ligt bijvoorbeeld Waddenbrood, gemaakt van volkoren granen van de Friese en Groningse waddenkust. Op talloze plekken zijn eieren, lokale kaas, droge worst, rundvlees of varkensvlees te koop. Horeca bieden eveneens op tal van plekken in Friesland, Groningen en Drenthe regionale producten aan.
De Friese voedselcoöperatie Better foar letter won onlangs de Duurzame Dertig als verkooppunt van gezonde, biologische en lokale producten rechtstreeks van de boer of teler in de provincie. Voor elke provincie zijn uitgebreide kaarten op internet te vinden met locaties waar je lokale boerenproducten kunt kopen (Friesland, Groningen, Drenthe). Het thema is hot in Friesland en ook Terschelling is begonnen met eigen voeding voor eigen bewoners.
Talloze boeren zijn erin geslaagd hun producten door de hele regio aan te bieden. Goudgewas in Roodeschool verkoopt via de eigen winkel aardappels, groente, fruit, eieren en vlees. Groente van de Botmas in Engwierum worden verkocht aan grote partijen zoals het UMCG. Aardappelen van Van Zwol in Spijk liggen lokaal in de schappen. Meinardi schilt en verpakt asperges en biedt aardbeien regionaal aan. Oudebosch maakt van fruit sap, lokaal verwerkt en verkocht. Hetzelfde geldt voor dierlijke producten. Slager Kroon in Groningen werkt met lokaal vlees en Ommelanden zuivel in 2e Exloërmond verwerkt op grotere schaal: kaas, kwark en yoghurt. Deze lijst gaat nog een hele tijd door.
De Regiodeal Natuurinclusieve landbouw leverde in Noord-Nederland allerlei geslaagde projecten op. Daarnaast steekt het provinciale eiwitprogramma Fascinating een boel geld in technische oplossingen voor lokaal beter gebruik van reststromen, energie en verbeterde eiwitgewassen.
Casus korte keten: gemeente Groningen doet een poging
Op 23 juni 2025 ondertekenden zo’n 30 partijen in Groningen een convenant om korte ketens te bevorderen. Het project richt zich met name op afnemers van lokaal voedsel: zorgpartijen, onderwijsinstellingen en overheden. Twee kwartiermakers van de gemeente Groningen trekken de kar.
Deze krant sprak met de betrokken ambtenaren over het project. Er is nog niet veel concreet geworden sinds de ondertekening. Het zijn vooral kleine eerste stapjes. Tijdens Winterwelvaart organiseerde het initiatief bijvoorbeeld een verkiezing voor het lekkerste ‘broodje Grunn’. Ook wordt er gepraat over het invoeren van schoolmaaltijden. Enkele overheden zijn bezig met nieuwe aanbestedingen om lokaler in te kopen.
Inmiddels is de wethouder Kirsten de Wrede die het convenant wilde, afgetreden vanwege privéomstandigheden. Het is maar de vraag hoeveel politieke wil er is om het convenant jarenlang voort te zetten.
Het convenant werd in juni niet juichend ontvangen. Bij de ondertekening in juni haalden veel aanwezigen hun schouders op. Het was vooral een politiek statement, zeiden sommigen. Was dit niet gewoon ‘symboolpolitiek’ en de overtreffende trap van subsidieverspilling?
Als je het Groningse convenant toetst aan de tien uitdagingen die beschreven worden in dit artikel, valt op dat het convenant geen oplossing biedt voor knelpunten die spelen bij de boer of verwerkingsketen (punt 1, 2 en 5). Ook hangt er geen geld aan het convenant (punt 3 en 8).
Het korteketenconvenant richt zich op het inkoopbeleid van zorg-, overheid en onderwijspartijen. De problemen waar zulke instellingen tegenaanlopen (zoals de ‘potjes’ in de zorg) kunnen volgens de betrokken ambtenaren in dit convenant gesignaleerd worden en daarna politiek aangekaart (punt 4). Er staat niet in het convenant of de afnemers ook langdurige vraag naar lokaal voedsel zullen garanderen (punt 9).
Het initiatief maakt duidelijk dat de ‘korte keten’ een politiek beladen term is. De gemeente Groningen is aanjager van dit voedselinitiatief, terwijl een gemeente helemaal niet gaat over landbouwbeleid. De provincie was logischer geweest, maar is bestuurlijk intern verdeeld over dit thema (punt 6 en 7).
Al met al is het de vraag of dit Groningse convenant niet te ‘nauw’ definieert wat er moet gebeuren om de noordelijke economie te stimuleren met lokale producten. Door alleen te kijken naar grote afnemers, wordt het probleem eenzijdig belicht.