Joost Oomen toert door het land, in verschillende hoedanigheden. Met klassiek ensemble Pynarello, met zijn soloprogramma ‘Tot wie wij zijn’ en straks met stevig swingende jazzrockband Kruidkoek.
Joost Oomen. Groeide op in IJsbrechtum. Columnist van deze krant, dichter, romanschrijver, theatermaker. Podiumdier.
„Zo ben ik ook begonnen”, zegt hij. Als dichter. „Omdat ik eigenlijk drummer was. Ik wilde er wat bij doen.”
Hij drumde in het jazzbandje van pianist Wiebe Kaspers. Spelen op plekken als de kerk van diens woonplaats Jorwert, en daar dan hardop bij dichten. Zijn eerste echte dichtersoptreden was op een poëzie-avond van Leeuwarder icoon Melvin van Eldik, „in dat gekke gebouwtje achter De Harmonie”, theater De Bres. „Ik was doodzenuwachtig.”
Poëzie, dat moet je horen. Taalmuziek. „Voor mij is dat erg vervlochten. Ik hoop dat als je mijn dichtbundel koopt, dat je die gedichten dan voor gaat lezen. Aan familie, collega’s, geliefden. Dan gaat het klínken!”
Een heel gepuzzel
Het gaat niet noodzakelijk op voor alle facetten van zijn schrijverschap. „Je kunt moeilijk een hele roman voorlezen.” Toch ligt nou net zijn roman Het paradijs van slapen ten grondslag aan de voorstelling die hij met klassiek ensemble Pynarello in de zalen brengt. „Dat moet dan bewerkt worden. Stukken bij bedacht, en ook heel veel weggehaald.”
En ingepast in de muziek – van Robert Schumann en Olivier Messiaen. „Dat is nog een heel gepuzzel.” De muziek van Schumann klinkt hier „omdat die heel naar aan zijn einde is gekomen. Hij zag ook geen brood meer in het leven en is de Rijn in gelopen. Maar dat is niet gelukt! Hij ging naar een gesticht, heel treurig, en is pas veel later overleden.”
Toepasselijk, dus, in een voorstelling over een roman over de ervaringen van een euthanasie-arts en de herinneringen van zijn ‘patiënt’. „Schumann heeft een paar composities gemaakt waarin hij de herinneringen aan zijn kindertijd gebruikt. Dat werkt heel goed bij wat ik vertel over herinneringen, en wat daarmee gebeurt als de dokter er een eind aan maakt. Dat is best een raar ding.”
Raar, heftig, atonaal
Die tot klinken gebrachte jeugdherinneringen, stelt Joost zich voor, worden gekenmerkt door schoonheid. Om de boel toch een beetje te laten wringen, als de wereld zelf, wordt Schumann afgewisseld met „die hele gekke Franse componist” Olivier Messiaen. „Raar, heftig, atonaal: dat vinden we dan bij hem.”
Pynarello en publiek. Foto: Veerle Bastiaanssen
Hij wil wel even een mogelijk misverstandje uit de weg helpen. Die euthanasie-arts uit dit verhaal, dat is dus niet zijn vader. Ook al brengt die sinds zijn pensioen (hij was cardioloog) zijn medische kennis op die manier in praktijk. „Nee, dat is bedacht, al heb ik mijn vader wel als vraagbaak gebruikt. Ik heb die arts in het verhaal wat kleptomanische neigingen toebedeeld, en nu zeggen sommige patiënten tegen mijn vader: ‘We hebben maar beveiliging ingehuurd, haha’.”
Ja, dat onderscheid tussen feit en fictie. „Dat vinden mensen ingewikkeld.” Met Pynarello heeft hij het intussen erg gezellig. Leuke lui, spelen staand en zonder dirigent, „En ze drinken ook gewoon het backstage-bier op in de nachttrein naar huis, na de voorstelling.”
Zoals deze voorstelling, net als het boek, toch ook gaat over schoonheid, de dingen die de herinneringen overleven, zo gaat zijn nieuwe solovoorstelling Tot wie wij zijn over kunst. Wat niet per se hetzelfde is.
Thelonious Monk
„Kunst is niet altijd schoonheid! Kunst, dat kan ook bestaan uit schrijnende dingen, grove dingen, rare dingen, surrealistische dingen. Atonale teringherrie! Maar ook schone dingen, mooie dingen. Zolang je maar het gevoel krijgt dat de chaos om ons heen, dat dat toch blijkt te kloppen.”
Joost Oomen op Oerol, Terschelling. Foto: Neeke Smit
In die voorstelling vertelt Joost Oomen over zijn eigen pad in de kunst „en wat voor idioots ik allemaal heb meegemaakt”, en over kunstenaars die hem het licht lieten zien. Jazzpianist en -componist Thelonious Monk, de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, surrealist Marcel Duchamps, schilder Barnett Newman, Bas Jan Ader uit Winschoten die tijdens een performance spoorloos verdween op de Atlantische Oceaan.
Och ja, Monk. Die het onmogelijk werd gemaakt om te spelen in het New Yorkse nachtclubcircuit omdat hij zijn cabaret card was kwijtgeraakt na een veroordeling wegens drugs. Kwam door een leeg heroïnezakje dat zijn passagier, gedoemd collega-jazzpianist Bud Powell, had willen weggooien, maar het waaide terug zijn auto in. Chaos.
Joost Oomen: „Dan kun je wel zeggen: dan speel ik maar niet meer. Maar Monk niet. Die trok met een auto en vier zwarte muzikanten door het racistische Zuiden van de Verenigde Staten, dat moet doodeng zijn geweest. Maar het dan toch doen, omdat hij dat blijkbaar nodig vond. Dat is hart voor de kunst hebben. Koste wat kost, tegen beter weten in.”
Puzzelstukje
Zie Tot wie wij zijn maar als een lofzang op zulke dwarse, eigenheimerige kunstenaars. Die met hun koppige visie verder kijken dan het geijkte plaatje. „Je kunt een puzzelstukje in het midden leggen, precies in dat gat waar het heel netjes in past. Maar deze kunstenaars leggen hun stukje juist aan de rand, waar nog van alles open ligt, van alles mogelijk is. Die de wereld zomaar, huppetee breder maken.”
Het rolt hem vlot van de lippen. Hij grijnst. „’t Zit in de voorstelling.”
In deze woeste wereld is kunst belangrijker dan ooit, vindt hij. „Maar om dat aan te tonen, moet je eerst even goed uitleggen wat er het nut van is. Dat is ingewikkeld.”
Het zit hem in die onontgonnen gebieden, zegt hij, dat stuk naast die puzzel. „Vanuit de chaos iets vinden dat toch klopt. Dat voelt alsof het klopt. Daar krijg je durf van, daar krijg je dappere mensen van. En daar is heel veel behoefte aan, in deze gekke tijden.” Weer die grijns. „Zit ook in de voorstelling.”
Vuilnisbelt
Intussen komt Joost Oomen nog eens ergens. In ieder geval buiten de kaft van een boek, al lang niet meer de natuurlijke habitat van dichters en schrijvers van zijn generatie (hij is 35). Met jazzrockband Kruidkoek („16.000 keer zo hard als Pynarello”) in de clubs en op de festivals, met Pynarello juist in zalen voor klassieke muziek, met de Poezieboys desnoods op een voormalige vuilnisbelt op Terschelling (wegens Oerol, met Geesten – over inspiratie).
En, op 13 april, in Carré te Amsterdam, vanwege Poëzie in Carré III. „Dat is gróóót, jongen. Carré!” En uitverkocht! Dat is een laat vervolg op eerdere avonden, in 1966 en 2006, toen met de grote performance-dichter Simon Vinkenoog aan het roer. Met de Poezieboys en dichter Ingmar Heytze stelde Joost het programma samen, vol dichters van het kaliber van Antjie Krog, Benzokarim, Lieke Marsman, Simone Atangana Bekono, Toon Tellegen.
Over Simon Vinkenoog gesproken: Joost Oomen wordt wel eens gezien als diens hedendaagse evenknie. Hij denkt er het zijne van.
„Vinkenoog was ook iemand die zijn werk graag ten gehore wilde brengen, hij heeft ongelooflijk veel opgetreden. Hij had een enorme zendingsdrang, hij bleef op de bres staan voor de poëzie. Er is een boekje verschenen bij uitgeverij Passage in Groningen, Goede raad is vuur, waarin hij uitlegt waarom bepaalde dichters zo belangrijk voor hem zijn. Dat is een van de eerste dingen die ik las over poëzie. Ik heb ongelooflijk veel van hem geleerd.”
Dus. „Ik de nieuwe Vinkenoog? Ik zal het niet nazeggen, maar ook niet tegenspreken.”