Schrijver Frank Westerman keerde terug naar Drenthe en verbaasde zich over de gedaanteverwisseling. Foto: Moniek Westerman
In de Amazone rukt de kaalslag op, in Drenthe de natuur. Frank Westerman keert terug naar zijn geboortegrond en ziet de verwildering om zich heen grijpen. Wat is er gebeurd met het landschap van zijn jeugd? Een voorpublicatie van zijn boek ‘Terug naar De Nul’.
Wie uit Drenthe komt zegt: ‘Ik kom hier weg.’ Ik twijfel of daar trots uit spreekt, of toch eerder gêne. In navolging van mijn zus heb ik op de middelbare school een krachtige herausweh ervaren, zoals de Duitsers zeggen. Zo gauw het kon, op ons achttiende, hebben we de een na de ander gehoor gegeven aan de roep van het ‘weg’: zij week uit naar het noorden, ik naar het zuiden. Toch trekt er een losjes onzichtbaar elastiek aan onze enkels, vastgemaakt aan een hunebed of een grote boom in het bos.
In het voorjaar van 2020 keerden we terug naar Drenthe. Dit gebeurde halverwege de Boekenweek, onverwacht. Ik kwam het rode Peugeotje van mijn ouders lenen om een praatje te houden in Wijster, bekend van ’s lands hoogste, met graszoden en fietspaden toegedekte vuilnisbelt. De voordeur stond open, dat was gek. Buurvrouw Mariëtte, een en al bruine krullen, kwam me tegemoet. Er was iets gebeurd, ik moest niet schrikken. Mijn moeder lag half geknield op de keukenvloer met een voet die gezwikt in haar slof stak, als de flipper van een zeeleeuw. Ze probeerde zich aan haar vingerkootjes op te trekken aan de bestekla.
‘Hallo wie is daar?’ zei ze broos.
Ieder aan een kant, zonder te knijpen, hesen we mijn moeder op haar zachte, 85-jarige benen. Pa had niets gemerkt, die sliep in zijn stoel onder een opengespreide Trouw, en had, anders dan Mariëtte van hiernaast, niet gehoord dat mijn moeder de hele tijd om hulp had geroepen. Nu hinkte ze een stapje opzij, zich vasthoudend aan het aanrecht. ‘Het gaat wel weer’, zei ze.
Ik zette haar bril recht en zag: het gaat niet meer.
Die week daalde de eerste lockdown neer. Ma had haar enkel gebroken, ze kon niet meer alleen naar de wc en vergat dat ze zojuist nog was geweest. Pa hield het liefst de hele dag zijn gestreepte pyjama aan. Af en toe kwam hij zich melden met een telkens aan glans winnende jeugdherinnering. Hoe hij en zijn broer Jan een keer een Wehrmachtsoldaat de verkeerde kant op hadden gestuurd. Nee, ze hadden zijn hélm afgepakt...
Twee-onder-eenkapwoning
Mijn zus en ik zagen ons gedwongen om weer bij hen in te trekken. We keerden terug naar ons ouderlijk huis, een twee-onder-een-kapwoning aan de rand van Assen. Per toerbeurt, met als ijzeren ritme: 48 uur op, 48 uur af.
’s Avonds na het boodschappen doen, koffiezetten, koken en afwassen zat ik met een fles bier bij te komen op mijn jongenskamer, waar nog een gefiguurzaagde draak en een linoleumsnede van een clown stonden – frutsels van de handarbeidles. Aan de muur hing mijn favoriete Escher: van water dat in stenen gootjes naar boven stroomde, en via een waterval weer omlaag klaterde.
Sinds de zomer van 1982 was de tijd hier opgedroogd. Mijn smalle bed was niet verschoven en de lekkagevlek op het gipsplafond (van die verstopte dakgoot) bezat nog dezelfde rorschachvorm. Buiten was de aarde met een volmaakte onverschilligheid blijven doorwentelen. Dit liet onverlet dat de pluimen van de coniferen inmiddels boven het balkonhekje uitstaken en dat de kastanje in de achtertuin, ooit als stekje geplant, binnen een half mensenleven was uitgegroeid tot een volwassen, vruchtdragende boom.
Op gele post-its communiceerden mijn zus en ik de overdracht. Soms stond er alleen: Frambozenijs in het vriesvak (was in de bonus). Maar een keer toen het mijn zus zwaar te moede was geworden, las ik: Sorry. Ik heb de stofzuigerslang tegen de muur kapotgeslagen.
Om genoeg liefde en zorg te kunnen blijven schenken – ook wanneer onze moeder voor de zoveelste keer om een schoteltje onder haar koekje vroeg – hadden we de aflossing hard nodig. In mijn vrije 48 uur reed ik de rode Peugeot over verlaten snelwegen naar Amsterdam, maar soms wilde ik alleen zijn. Dan zocht ik mijn toevlucht tot De Nul, een kraakoud boerderijtje in het diepe Drenthe.
Overal bos of es
De Nul lag eenzaam en soeverein aan een nog niet zo lang geleden geasfalteerd karrenspoor aan de rand van een bos. Je moest bukken voor de dakrand om naar binnen te gaan en kwam dan op de betegelde deel met de aangebouwde varkensstal. Vanuit welk raam je ook naar buiten keek, overal was bos of es.
Ik kende De Nul van meerdere oud-en-nieuwvieringen, als gast van vrienden die het van hun opa Joop hadden geërfd. Om middernacht stapten we het erf op om ons te vergapen aan de vuurwerkloze hemel. In de tijd dat ik mijn dochter nog op de arm droeg, begroef ze haar gezicht een keer bangig in mijn hals toen ik haar op de grote beer wees. Van de boswandelingen op nieuwjaarsdag kende ik het ‘onderduikershol’ uit de Tweede Wereldoorlog en ook: het ‘Pottiesbargien’, het Potjesbergje, een in 1735 gesloopt hunebed waar een weelde aan potscherven uit de steentijd was gevonden.
Kaartje gemaakt door Frank Westerman, uit het boek 'Terug naar De Nul'.
Middenin de pandemie, in mijn eentje met midlifevragen teruggeworpen op De Nul, begon het me te op te vallen hoe drastisch het landschap van mijn jeugd is veranderd. Met tussenpozen van telkens twee etmalen kwam ik bij zinnen aan de rand van het Drents-Friese Wold. Al was ik over de helft van mijn levenspad, niet eerder had ik stilgestaan bij de verruiging van mijn geboortegrond. De bomen waren doorgegroeid en hadden vollere kruinen gekregen, zoals ook ik in deze omgeving groot was geworden.
Een lijstje van veranderingen
Ik maakte een lijstje van de veranderingen in het landschap tussen toen en nu:
- Open plekken waar de douglasspar en Japanse lariks waren gekapt om ook kleinere planten het levenslicht te gunnen. Omdat Staatsbosbeheer de stammen niet wilde wegslepen zag de kaalslag eruit als de ravage die deed denken aan de orkaan Quimburga van 13 november 1972 – het was mijn achtste verjaardag – toen er in Noordwest-Europa in één zucht vijf miljoen bomen omwaaiden.
- Nergens zag je nog zwartbonte koeien. Ze bleken vervangen door langharige uit Schotland en Spanje. Met hun vervilte vacht die in slierten langs hun lijf hing, leken ze op hippierunderen die zich van de maatschappij hadden afgewend.
- De dieren stonden niet in de wei, maar in het woud. Er maakte zich een stier uit de kudde los, die ik begroette met een verontschuldigend gebaar. Terwijl hij me dampend bleef aanstaren, keerde ik nogal cartoonesk op mijn schreden terug. (Alleen het muziekje ontbrak.)
- In vroegere weilanden bloeide veenpluis. Je riskeerde een boete als je je in het broedseizoen in het weidegebied waagde, dat zompig was gemaakt door het waterpeil in de slootjes permanent hoog te houden.
- De Vledder Aa, ooit rechtgetrokken bij de ruilverkaveling, kabbelde weer in zijn oude, slingerende bedding.
- Voor het eerst zag ik ooievaars op hun statige oranje stelten, wormen pikkend in het overgebleven grasland.
- Boer Kistjes, hoorde ik bij de Coöp in Diever, had zich laten uitkopen door de provincie. Hij was met zijn levende have naar Zweden verhuisd, waar nog stikstofruimte was.
- Een openluchtvoorstelling ten noorden van het Drents-Friese Wold kreeg na twee succesvolle seizoenen geen vergunning meer vanwege de Natura 2000-regels.
Vogelreservaat Diependal bij Oranje. Foto: Marcel Jurian de Jong
Natuur kreeg volop voorrang op cultuur – terwijl die laatste nooit echt had weten te gedijen op de schrale Drentse zandgronden. De moerassen, destijds drooggelegd door jichtige veenarbeiders, namen Drenthe weer in hun greep. Ontginners als de Heidemij veranderden van naam en lieten zich opnieuw betalen, nu als Arcadis, om hun ingrepen uit de twintigste eeuw met een nieuwe generatie bulldozers ongedaan te maken.
Het landschap keerde langzaam terug naar zijn oerstaat van heideveld en veenmoeras. Arcadië. Ik vroeg me af: Wat is ‘oer’? Naar welk nulpunt willen we terug?
En: wil ik dat ook?
Broer-zusactiviteiten
Rond de tijd dat mijn zus en ik wees werden, liepen onze huwelijken op de klippen, opnieuw de een na de ander. Het bracht ons toenadering. Ik wist haar te behoeden voor onbesuisde besluiten, zoals het verruilen van de stad voor een kluizenaarsbestaan op het platteland. Vaker dan voorheen hielp ik haar bij het vervoer en klaarzetten van haar (religieus geïnspireerde) beelden – op een kunstroute of in een expositieruimte. Tijdens zulke broer-zusactiviteiten praatten we over vroeger.
Hoewel we opgroeiden in een stad, trokken we niet naar het pleintje met de cafés en de twee bioscopen. We verkozen de weilanden langs het Deurzer Diep, de vennetjes van Kampsheide en het Balloërveld. Terwijl mijn zus steeds wijder vallende kleren begon te dragen, versierd met ‘kernenergie, nee bedankt’-buttons, schreef ze op haar kamerdeur: Stel je voor er komt oorlog en niemand gaat er naar toe. Ze overtuigde me dat ik dienst moest weigeren en speldde me een gebroken geweertje op. Vanaf dat moment ging ik mijn eigen slobbertruien breien.
Op vrije dagen wanneer ik de stallen van manege De Tarpan uitmestte, was mijn zus in de weer met wat de Duitsers renaturieren noemen. Voor deze cultuurdaad is nooit een fatsoenlijk Nederlands woord bedacht: de gangbare term is nu rewilding. Tijdens natuurweekenden rooide ze jonge boompjes die de hei overwoekerden of plagde zoden af om voedselarme landjes te creëren voor de vleesetende zonnedauw. Als bijvangst van haar vrijwilligerswerk wist ik op school te vertellen wat ‘botulisme’ en ‘blauwgrasland’ was. In mijn herbarium zat het gespikkelde blad van de welriekende nachtorchis die ik op haar aanwijzing langs de Drentsche Aa had gevonden.
Stads in elke vezel
Ongeveer zoals mijn zus mij had laten kennismaken met het onontgonnen Drenthe, zo probeer ik nu mijn nieuwe geliefde voor te stellen aan mijn geboortegrond. Dit valt niet mee. Zij is Brits, geboren en getogen in Londen. Stads in elke vezel. Mijn nieuwe geliefde houdt van de cellosuites van Bach, maar niet of althans niet per se van wolven.
Ze heeft gezeild. De Gouwzee, de Waddenzee, de Noordzee. Bovenlangs bij Borkum, een oversteek naar Engeland in de nacht – met man en kinderen destijds nog. Maar Drenthe ligt boven de zeespiegel. Meteen de eerste introductie – ik zou haar mijn geboortehuis laten zien in Emmen – verliep onromantisch. Het landgoedachtige hotel dat ik in gedachten had leek vol, waardoor we in een Van der Valk belandden met uitzicht op de A37 naar Duitsland.
Ik heb haar beloofd de Drenthe-entree over te doen, en dan authentieker: met een wandeling van de Bisschopsberg naar het Drents-Friese Wold en een overnachting op De Nul.
Oude ansichtkaart
De Nul, ingeklemd tussen fruitbomen en een perkje kaardenbollen, lijkt op een honderd jaar oude ansichtkaart. ‘Groeten uit het pastorale Drenthe,’ zou de VVV erop kunnen zetten. Net als iedereen die deze keuterij voor het eerst ziet, is ook mijn geliefde onder de indruk. Vanwege de licht doorbuigende nok lijkt het alsof De Nul zich heeft neergevlijd als een herdershond. De halfronde stalraampjes, het lage zadeldak en de planken schuur op het achtererf, ze ademen ambachtelijkheid. Binnen is de sfeer niet anders.
We trekken onze schoenen uit op de plavuizen. Nadat we de keuken, de vliering en de woonkamer met de haard hebben verkend, bestuderen we de ingelijste familiefoto’s. Ik herken ‘Opa Joop’, een blokfluitspeler die jarenlang in afzondering op De Nul had doorgebracht. We openen kasten die uitpuilen van de boeken over de maanlanding, de geschiedenis van de Olympische Spelen en de bouw van de Aswandam.
Het Balloërveld bij avond, 2022. Foto: Marcel Jurian de Jong
In de eetkamer hangt een oprolbare schoolplaat uit 1933: ‘Een esch in Drente.’ Het is een tekening van het oude cultuurlandschap waar ik eindeloos naar kan kijken. Op de voorgrond bloeien heidestruiken, daarachter staat een veldje heuphoog koren. Een boer en diens knecht zijn juist aan het oogsten, de boerin bindt de halmen samen. Naast het graan strekt zich een strook aardappelloof uit en in het verschiet liggen boerderijtjes, een molen en, hoe kan het ook anders, een hunebed.
Het verleden kopje onder
Ik ben geen nostalgicus die de lof zingt op de armoede. Niet alles wat was is mooi. Maar meer nog dan tijdens de pandemie verbaast het me dat het Drentse boerenland kavel voor kavel moet wijken voor de oprukkende natuur. In de Amazone is het andersom, daar rukt de kaalslag op. Hier de verwildering. Uit schuldbesef over de vernielingen die de menssoort op aarde aanricht, steken we boetvaardig dijken en duinen door om het zoute zeewater weer binnen te laten. En Drenthe verzuipt de veenweiden door de afwatering te blokkeren – als passieve euthanasie op het cultuurland.
Maar gaat rewilding werkelijk verlossing brengen? Zij doet delen van Drenthe terugkeren naar een beginstaat van ongereptheid, maar wist tegelijk ook de beschavingssporen uit. In de nieuwe moerassen gaat het verleden kopje onder. Vanwaar die drang om het bestaande landschap te willen uitvlakken, als je ook kunt voortbouwen op de humus van het voorbije? Zoals ik hou van Mondriaan, zo hou ik van knotwilgen langs rechte sloten, van rechthoekige, eenkleurige kavels, van populieren langs het Oranjekanaal. De zichtlijnen op het landschap dat me gevormd heeft, voor je het weet kan ik ze niemand meer tonen.
Boek en presentatie
Terug naar De Nul, in de reeks (handzame) wandelboeken Terloops van uitgeverij Van Oorschot, van Frank Westerman verschijnt 13 juni. Prijs: 13,50 euro (80 blz., met kaart)
Het boek wordt 13 juni gepresenteerd in boekhandel Van der Velde in Assen. Op 22 juni is Frank Westerman te gast bij literatuurfestival Zomerzinnen in Frederiksoord.
Het wandelboek in de reeks 'Terloops'.
Frank Westerman
Frank Westerman (Emmen, 1964) is journalist en schrijver. Hij studeerde Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit Wageningen en werkte als correspondent voor de Volkskrant vanuit Belgrado (1992-1994) en in Moskou voor NRC Handelsblad (1997-2001). Hij schreef (bekroonde) boeken als De graanrepubliek, Ingenieurs van de ziel, El Negro en ik, Een woord een woord en Zeven dieren bijten terug.