Met Pasen vieren christenen de opstanding uit de dood van Jezus Christus. Maar wat gebeurde er na zijn kruisiging? Een zoektocht met historicus Steve Mason.
Jezus van Nazareth wordt door historici steeds vaker geportretteerd als een apocalyptische prediker die begin eerste eeuw door Judea trok, verkondigend dat het einde der tijden nabij was. De Canadese geschiedkundige Steve Mason ziet dat anders.
Dit verhaal is eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant en Dagblad van het Noorden, op 19 april 2014. In het kader van Pasen herplaatsen we het nu online.
,,Ik denk dat Jezus een prediker was die zijn hele leven volgens de joodse traditie leefde en al tijdens zijn leven de sociale rechtvaardigheid wilde bevorderen”, zegt hij. ,,In zijn onderricht legde Jezus grote nadruk op zorg voor de armen, de weduwen, de zieken en de ongelukkigen. Hij was erg begaan met de gemarginaliseerden in de samenleving.’‘
Er zijn goede redenen voor die visie, zegt Mason, die momenteel gasthoogleraar is aan de Rijksuniversiteit in Groningen. ,,Het probleem is natuurlijk dat Jezus zelf niks heeft geschreven. We moeten het doen met teksten die een of meer generaties na zijn dood zijn geschreven.’‘
Het Koninkrijk van God
Dat gegeven maakt alle reconstructies van de historische Jezus min of meer speculatief, ook die van Mason. ,,Maar als je de bronnen die er zijn nauwgezet analyseert, chronologisch rangschikt, kijkt naar analogieën en ze bestudeert in de culturele context waarin ze zijn geschreven, kom je wel tot iets.’‘
Een belangrijk onderwerp in de studie naar de historische Jezus is momenteel de notie van het Koninkrijk van God, waar Jezus veel over predikte. ,,De onderzoekers die hem als een apocalyptische prediker zien, denken dat Jezus het Koninkrijk van God als iets toekomstigs zag’‘, zegt Mason. ,,Maar als je kijkt naar Jezus’ gelijkenissen, die doorgaans als min of meer authentiek worden beschouwd, dan zie je dat die allemaal gaan over het alledaagse leven en niet over grote gebeurtenissen die staan te gebeuren. Ze gaan niet over de toekomst, maar over zaadjes die ontkiemen en langzaam groeien.’‘
Mede daarom denkt Mason dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat Jezus het Koninkrijk van God zag als iets dat al tijdens zijn leven gebeurde. ,,Het idee dat er iets uit de hemel zou komen, vind ik daar moeilijk bij passen. Dus moet je je afvragen waar dat dan vandaan kwam, want je vindt het wel terug in de evangeliën. Nou, we weten uit zijn brieven dat de apostel Paulus dat geloofde. Waar Jezus spreekt over het Koninkrijk van God als een groeiend zaadje, heeft Paulus het over de dood en opstanding van Christus en zijn aanstaande wederkomst vanuit de hemel.’‘
Tegenstrijdigheden in de evangeliën
Mason denkt dat de vroege kerk, onder leiding van Paulus, Jezus’ eigen leer min of meer aan de zijlijn parkeerde, en hem profileerde als de gestorven en opgestane redder. ,,Dat lijkt me de simpelste verklaring waarom het in de evangeliën terecht is gekomen. Maar ik kan het mis hebben.’‘
Voor veel gelovige christenen gaat Mason met zulke analyses al veel te ver. Hij merkt het zelfs bij zijn studenten. ,,Ze zijn niet gewend Bijbelse teksten net zo te behandelen als andere teksten uit de Oudheid en zijn soms echt geschokt als je ze bijvoorbeeld wijst op de vele tegenstrijdigheden in de evangeliën.’‘
Steve Mason
Steve Mason (56) is hoogleraar aan de Universiteit van Aberdeen. Hij is gespecialiseerd in onder meer het vroege christendom en de geschiedenis van Romeins Judea. Momenteel is hij te gast in Groningen. Mason is de eerste toponderzoeker die dankzij een Dirk Smilde Fellowship – een fonds dat is gefinancierd door de vorig jaar overleden voedingsmiddelenproducent Dirk Smilde uit Heerenveen – enkele maanden doorbrengt aan het Qumran Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen.
Steve Mason. Foto: Peter Wassing
De Canadese historicus krijgt geregeld het verwijt dat hij het wonderbaarlijke op voorhand uitsluit. ,,Veel christenen en gelovige wetenschappers zeggen: het is allemaal een kwestie van je vooronderstellingen en je waarden. Ik denk dat dat een misverstand is. Historisch onderzoek gaat niet over het uitsluiten van iets waarvan we niet weten of het gebeurd is. Het gaat niet om de vraag: is het wel of niet mogelijk? Maar: onderzoek de teksten, kijk wanneer ze geschreven zijn en of je er een ontwikkeling in kunt zien. Wees consistent.’‘
Andere stromingen
Neem de opwekking van Jezus uit de dood, zegt Mason. ,,Christenen zeggen: waarom voeren de evangelieschrijvers vrouwen op als getuigen van de opstanding als die niet echt heeft plaatsgevonden? Want vrouwen golden in de Oudheid als onbetrouwbare getuigen.’‘
Volgens Mason begint het historische onderzoek naar de opstanding echter met een ander feit, namelijk: ,,Het vroegste verhaal over de opstanding staat niet in de evangeliën, maar in Paulus’ Eerste brief aan de Korintiërs.’‘ (Zie het kader over de bronnen.)
Dat verhaal in 1 Korintiërs is volgens Mason om verschillende redenen buitengewoon interessant. ,,Ten eerste zie je dat Paulus daar in debat gaat met christenen die niet geloofden in de opstanding uit de dood. Dat toont aan dat er in Paulus’ tijd, twintig jaar na Jezus dood, ook andere stromingen waren binnen het christendom. Voor deze christenen, tegen wie Paulus keihard van leer trekt, was Jezus een wijsheidsleraar, die onderwees hoe we moeten leven en onszelf kunnen leren kennen. Bij hen draaide het meer om spirituele bevrijding en innerlijke vrede.’‘
Opstanding naar de geest
Maar nog interessanter is wat Paulus meldt over de opstanding van de doden. Mason: ,,Paulus heeft het niet over een fysieke opstanding. ‘Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt’, schrijft hij. Hij meldt ook nergens iets over een leeg graf, hoewel hij absoluut zeker is dat Christus is opgewekt uit de dood. Hoe is hij zo zeker? Omdat Jezus aan hem verschenen is. Hij verscheen aan zijn discipelen, aan vijfhonderd mensen in één keer en als laatste aan mij, schrijft Paulus.’‘
Kortom, zegt Mason: bij Paulus wijst alles op een opstanding naar de geest, in de vorm van een spirituele aanwezigheid of een soort visioen. ,,Als je de verhalen in de vier evangeliën vervolgens nauwgezet bestudeert, zie je een duidelijke ontwikkeling’‘, zegt Mason. ,,De auteur van Marcus is de eerste die over een leeg graf rept, terwijl Matteüs en Lucas het opstandingsverhaal en Jezus’ verschijningen daarna nog veel meer vastspijkeren.’‘
Feitelijke verschillen
Er bestaan flink wat feitelijke verschillen tussen de opstandingsverhalen in de evangeliën, zegt Mason. Hij geeft enkele voorbeelden: ,,In Marcus is het graf open als de vrouwen aankomen. In Matteüs is het gesloten en staat er opeens een wacht bij Jezus’ graf. Matteüs rept ook over een aardbeving en een engel, die ‘lichtte als een bliksem’, die de steen wegrolt. In Lucas is er geen wacht en is de steen al weggerold. Nu zitten er twee mannen in stralende gewaden bij het graf. In Johannes is het hele tijdschema anders: daar is het nog donker als Maria van Magdala naar het graf gaat, terwijl volgens Marcus de zon al op was.’‘
Een opmerkelijk detail in Lucas is dat Jezus, als hij zijn leerlingen na zijn opstanding ontmoet, met ze eet. ,,En een geestverschijning eet niet natuurlijk’‘, zegt Mason. ,,De auteur van Lucas laat Jezus zelfs expliciet zeggen: ‘Een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb’. Maar dat is het tegenovergestelde van wat Paulus beweert! Wat je ziet, is dat in de loop der tijden het verhaal steeds meer verschuift in de richting van een fysieke opwekking. Er werden door de evangelieschrijvers welbewuste pogingen ondernomen om de zaak vast te pinnen op een manier waar Paulus niks van wist.’‘
Wat zegt dat alles nu over de opstanding van Jezus? Mason: ,,Historisch bezien kun je concluderen, zonder verder in te gaan op de vraag of Jezus nu wel of niet opstond uit de dood, dat Paulus Jezus’ opstanding begreep op een geestelijke wijze, in termen van zijn eigen ervaring. Die vormde de basis van zijn missie: Christus sprak tot hem, op de een of andere manier.”
‘Die Paulus is gek’
,,Maar in de loop der jaren voldeed dat verhaal niet meer. Begrijpelijk, want er zijn natuurlijk heel veel verklaringen mogelijk voor zo’n geestelijke ervaring. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn geweest die zeiden: ‘Die Paulus is gek’, of: ‘Hij heeft te veel gedronken’. Het is dus volkomen logisch dat de evangelieschrijvers in de loop der tijd steeds duidelijker stellen dat de opstanding van Jezus lichamelijk was. Juist omdat het idee van de opgestane Heer zo belangrijk is voor het hele geloofssysteem.’‘
Op dezelfde wijze kun je ook andere aspecten van Jezus’ leven onderzoeken, zegt Mason. ,,Zijn leer, het geboorteverhaal, het strafproces, de wonderverhalen, enzovoorts. Je bestudeert de betreffende passages, kijkt welke de vroegste waren, categoriseert ze, onderzoekt hoe er in de Oudheid tegenaan werd gekeken en probeert tot scenario’s te komen die een en ander inzichtelijk maken.’‘
Het belang van dit soort onderzoek moet niet worden onderschat, zegt Mason. ,,Er wordt zoveel onzin beweerd over Jezus. De universiteit is de enige plek waar je over dit soort zaken op een open manier vragen kunt stellen en kunt discussiëren. En vergeet niet: dit gaat over wie wij zijn en waar we vandaan komen, het gaat over ons zelfbegrip.’‘
De belangrijkste bronnen over de historische Jezus zijn de vier canonieke evangeliën, die Jezus’ leven en sterven beschrijven, en de brieven van Paulus, uit het Nieuwe Testament. De oudst bekende handschriften van die teksten dateren uit de tweede eeuw, maar ze zijn eerder geschreven. De brieven van de apostel Paulus (althans: de brieven waarvan zijn auteurschap onomstreden is) worden doorgaans gedateerd in de jaren vijftig van de eerste eeuw. Daarmee zijn het de oudste christelijke teksten die we kennen.
De auteurs van de canonieke evangeliën, die door de kerk worden toegeschreven aan Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, zijn onbekend. De oudste beschrijving van het leven van Jezus is Marcus, dat ergens in de jaren zestig of zeventig van de eerste eeuw is geschreven. Matteüs en Lucas zijn deels gebaseerd op Marcus en dateren uit de jaren tachtig. Johannes is onafhankelijk van Marcus geschreven en wordt meestal in de jaren negentig gedateerd. Er zijn ook historici die denken dat Johannes uit de jaren zestig van de eerste eeuw stamt.