'Iedereen torst hier z’n eigen bagage mee omhoog'. Foto: Harm Vonk
Op de week af een jaar geleden wordt via een infuus in de Tjongerschans in Heerenveen voor het eerst chemotherapie in mijn bloed gespoten. Nu beklim ik de Mont Ventoux, voor Stichting Groot Verzet tegen Kanker. Dát is mijn bagage als ik de mythische klim, die ik vooral ken vanuit het wielrennen, bedwing.
Lopend. Enkele jaren geleden deed ik het op de racefiets. Twee uurtjes. Nu – nadat collega Susan vraagt om mee te doen – wil ik hardlopend. Maar hoe graag ik ook een streep zet onder mijn eigen kanker, het gebrek aan conditie – de terugval, het niet meer kunnen volhouden van ‘snelle’ kilometers na de chemotherapie – belet dat. Hardlopen wordt dus wandelen.
Zorgeloosheid
Onbewust speelt de film zich weer af. Van de zorgeloze periodieke controles (omdat er wellicht iets erfelijks in de familie zou kunnen zitten) tot dat telefoontje in de vorige zomer waarmee alle zorgeloosheid in één keer verdwijnt. De arts vindt lymfeklierkanker en hij vindt het bovendien meteen tijd om met behandelingen te gaan beginnen.
Echt hinder heb ik nooit echt gehad. Niet van de tumor, niet van de bijwerkingen die chemo met zich mee kan brengen. En de behandelingen sloegen naar volle tevredenheid aan, dus het gaat écht goed met me.
Met de beklimming van de Mont Ventoux wil Harm Vonk een streep zetten onder zijn eigen kanker. Foto: Harm Vonk
Wijze les
Het accepteren van de ziekte is eerst lastig: ík hoor niet thuis op de afdeling oncologie, waar iedereen de dood in de ogen kijkt. Ik doe dat niet. Ik lééf!
Die opstandige houding deel ik een aantal dagen later met een neef van me, die écht ziek is. ‘Misschien’, zegt hij me, ‘misschien hoef je niet alleen iets te halen, maar misschien kun je ook iets geven’.
Kort voor zijn overlijden leert hij me een wijze les.
Hoe gek het ook klinkt: ik voel me altijd al een gezegend, een gelukkig mens. Eentje die z’n zegeningen telt. En dat zijn er nogal wat. Mijn zoon van 11 wandelt manmoedig de laatste vijf steile kilometers met ons mee. Dochter van 9 moedigt aan vanuit de volgerskaravaan, die bestaat uit de mensen die mijn ziekte van dichtbij ook meemaken.
Bonusdagen
Oh, zegeningen in overvloed. Tsja, alleen die kanker.
Maar iedereen krijgt tegenslag in het leven. Nu komt het erop aan hoe daarmee om te gaan: zwelg ik in medelijden? Kan ik een voorbeeld zijn? Of iets daar tussenin?
Jan klimt met een loodzware rugzak op de flanken van de Mont Ventoux. „Twintig kilo”, puft hij, terwijl hij een knikje naar achteren doet. Jan traint met zijn tweejarig zoontje in een rugzak. Dat is soort van vergelijkbaar. Maar waarom die rugzak? Alsof 26 kilometer bergop wandelen alleen niet zwaar genoeg is. „Het is iets symbolisch”, zegt Jan. „Iedereen torst hier z’n eigen bagage mee omhoog.”
Jan torst zijn rugzak mee naar boven. Maar hoe zwaar is het werkelijk? Mijn tas voelt af en toe als een veertje. Dan de tas van de nabestaanden van Tobias. Die moet loodzwaar zijn. Tobias is 12 als hij hersenstamkanker op zijn weg treft. 248 bonusdagen lééft hij nog. Nu Tobias er niet meer is, vragen zijn nabestaanden ook op de Mont Ventoux aandacht om Tobias’ droom werkelijkheid te laten worden: een behandeling tegen hersenstamkanker.
400 duizend euro
Hoe zwaar Jan zijn rugzak voelt? Ik weet het niet. Jan sjouwt het gewicht en loopt moedig richting de top. Stap voor stap. Net als de ruim driehonderd anderen, die samen meer dan 400 duizend euro bijeen brengen.
En ik? Ik ben slechts eentje van hun. Als toeschouwers ons toeroepen dat we ‘helden’ zijn, voelt dat ongemakkelijk. Ik ben geen held en zal dat nooit worden; het enige wat ik doe, is stap voor stap de berg beklimmen. Net als Jan.
Met deze klim wil ik een streep zetten onder mijn eigen kanker. Niet dat het nooit gebeurd is, maar wel dat ik hier niet in wil blijven hangen. Gelukkig is dat mij gegeven.
Binnen mijn netwerk lukt het me om bijna 3500 euro op te halen voor KWF Kankerbestrijding. Op de top, meer dan 1900 meter hoog, schiet dat me te binnen: misschien kan ik iets geven met deze ziekte. Bij deze.