Columnist Maaike Borst Foto: Marcel Jurian de Jong
Tijdens de demonstratie in Ter Apel ben ik aan het mountainbiken in de Drentse bossen. Slalommend en bomen ontwijkend, rij ik in het kielzog van twee euforische jongetjes. „Ik kan niet beschrijven hoe fantastisch dit voelt”, schreeuwt de voorste. „Mama? Kun jij dat?”
Woorden zouden mijn specialiteit moeten zijn. Maar als ze snel moeten komen, onder druk van afwachtende blikken, laten ze het toch vaak afweten. Bovendien is mijn eigen gevoel anders dan dat van mijn kind. Ik geniet nog meer van zijn plezier dan van het mountainbiken zelf.
Als we even een stukje rechtdoor rijden over een verharde weg, gooit hij zijn handen los, laat zijn armen in golfbewegingen wapperen en danst heupwiegend op zijn zadel.
Dat beeld is goed te beschrijven. Wat precies het gevoel is dat door zijn lichaam raast als hij door de bochten scheurt en over hellinkjes springt, kan ik niet voor hem in woorden vatten. Die zal hij zelf moeten zoeken.
Laatst zei hij, toen we zijn kamer hadden opgeknapt. „Ik ben zó blij dat ik het voel kriebelen in mijn kont.”
Klein en twijfelend
Na het mountainbiken zoek ik op mijn telefoon naar hoe het is gegaan in Ter Apel. Ik wist wel dat er mensen naartoe gingen om een ander geluid te laten horen dan het agressieve wantrouwen tegen asielzoekers dat dit land opeens lijkt te domineren. Nu lees ik dat ze in de meerderheid waren.
Een deel van mij had daar willen zijn. Leuzen roepend in overtuiging van mijn gelijk en onderdeel worden van een groep. Samen strijden. Maar ik vind dat moeilijk. Hoe mensen voor je gaan spreken als je je aansluit. Beladen woorden gebruiken. Dingen zeggen die alles groot en zwart-wit maken.
Ik hou meer van klein en twijfelend, al is dat uit de tijd.
Deze zaterdag kan ik me verschuilen achter oppasverantwoordelijkheden voor kind en vriendje. Ik hoef, alweer, niet te demonstreren. In plaats daarvan kweek ik liefde voor bossen en bewegen bij de jeugd, en zeg tegen mezelf dat ik best goed bezig ben.
Na de rit, uitpuffend op het terras, bekijkt zoon zichzelf via de camera van mijn telefoon. „O mijn god, ik ben helemaal cooked”, zegt hij. Soms vindt hij zijn woorden in online video’s van andere jongens die ook stuiteren op adrenalinestoten.
Daarna maakt hij voor de grap van heel dichtbij een foto van mij. Ingezoomd op een enorme frons in mijn voorhoofd zie je een soort bobbelig beige berglandschap met diepe kloven en omhooggestuwde roze huidlagen.
De jongens komen niet meer bij van het lachen en ik weet: het laat evengoed zijn sporen na. Zelfs al kies je voor de makkelijke weg, over smalle, verscholen paadjes door het bos.