Het was, by far, de hipste kledingwinkel die ik ooit bezocht. Achter de sober witte façade school een interieur dat minimalisme ademde: muren in betonstuc, een dito balie waarin een minibar vol snelle drankjes verstopt zat en kasten van rauw spaanplaat met daarin de meest exclusieve items, tentoongespreid als museumstukken.
De rest van het assortiment hing in industriële rekken langs de wanden. Daarvan waren er niet veel. Sterker nog: voor een kledingwinkel was hier verrekte weinig kleding te koop. Zelden betrad ik een zaak met zo’n schamel aanbod.
Maar ik wist dondersgoed: dit moest je niet als karig beschouwen. Het was handige marketing. De schaarste droeg bij aan het beeld dat elk stuk dat hier te vinden was uit een beperkte oplage kwam, een lot uit duizenden waarop je hier, en alleen hier, de hand kon leggen.
Sorry, noem me een zwakkeling, maar ik ben gevoelig voor dit soort uitgekookte consumentenbespelerij. Met ingehouden begeerte liet ik mijn handen langs de hangers glijden. Meteen gevolgd door een stekend besef: ik was niet de doelgroep.
Dit moet geen column vol zelfbeklag worden, maar het is soms ingewikkeld om 44 jaar oud te zijn. Volgens de gangbare definities ben je dan van ‘middelbare leeftijd’, een demografische categorie waarvan de allerlaatste restjes aangekoekte jeugdigheid aan het losweken zijn. Ik vóél het. Als ik een dag na het sporten met houten achillespezen van de trap wankel. Of als ik op een onbewaakte zondagmiddag op de bank in slaap soes, zomaar, en een halfuur later wakker schrik, een slijmspoor in mijn mondhoek, de koffie koud op tafel.
Maar mijn hoofd wil er nog niet aan.
Ik vóél het. Als ik een dag na het sporten met houten achillespezen van de trap wankel
De herinneringen aan jeugdiger tijden liggen nog te vers in het geheugen. En ze worden ook voortdurend naar de voorgrond geroepen door de drie pubers die hier dagelijks door het huis scharrelen en die je – samen met hun al even blakende, hippe vrienden en vriendinnen – met de harde leeftijdsverhoudingen confronteren.
Ze hullen zich zonder uitzondering in spijkerbroeken van het wijde soort, precies nonchalant genoeg om niet sloddervosserig te zijn. Daarboven prijken dan truien en shirts in de modernste snit: veel te breed en tegelijkertijd veel te kort: boxy, heet dat. Dozig. Vierkant.
Om die pasvorm nog eens extra te accentueren, portretteren die hippe kledingmerken hun modellen in advertenties structureel met hun armen omhoog: de mannequins (m/v/x) trekken bijvoorbeeld net hun capuchon over hun hoofd, waardoor die toch al zo korte hoodie nog eens extra omhoogkruipt en hun jaloersmakend gespierde, platte buiken prijsgeeft.
Zo stond ik in die museale modezaak, plukkend aan een capuchontrui uit de nieuwste collectie, twijfelend of ik ’m niet tóch…
Daar kwam een medewerker aangeflaneerd. Spijkerbroek als een oceaan. Ruim gestreept shirt, wiegend om zijn afgetrainde lendenen.
„Bent u naar iets specifieks op zoek?”, vroeg hij.
„Eigenlijk kijk ik voor mijn kinderen”, stamelde ik.
De verkoper bekeek me van top tot teen. Rond zijn mond pruilde een minzaam lachje. Vluchten kon niet meer.
„Nou, dát vermoedde ik al.”
Journalist Wieberen Elverdink (44) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.