Ik kijk over mijn rechterschouder door het raam naar buiten, naar het kale perron. Metaal en beton. Onder de overkapping zijn ijzeren stoeltjes in plukjes van drie vastgeschroefd aan een kale muur. Je vraagt je af voor wie. Hier is niemand.
Verder naar achteren ontwaar ik het geraamte van een al lang verlaten fiets. Voorbij het station reikt een windmolen tot hoog in het grijs. Die beweegt ook al niet. Weinig triesters dan een windturbine buiten werking.
Ik ben onderweg van Leeuwarden naar Antwerpen. Er was een tijd dat ik voor mijn studie bijna dagelijks van het spoor gebruikmaakte, lang geleden, maar ik ben het treinen verleerd – het automatisme waarmee je het juiste perron koos, de overstaptijden kende, je positie op het platform zó uitdokterde dat de trein precies met de schuifdeuren voor je neus halthield. Ik ben een ov-dummy geworden.
Daarom had ik me voor deze trip goed geprepareerd: ik downloadde de app, kocht een kaartje, prentte de route in mijn hoofd, inclusief de speling op de drie (!) stations waar ik zou moeten overstappen. Maar al bij Steenwijk liepen we zeventien minuten vertraging op, waardoor ik alle aansluitingen misliep en al mijn voorwerk de prullenbak in kon, nog voor ik er profijt van had.
Zo danst de wikkel onze coupé voorbij. Het stoort me: hij gaat wél vooruit
Nu zit ik dus in een toch al achteropgeraakte intercity voor het laatste stukje, de grens over, en wéér staan we stil. Op een plek waar we niet zouden moeten stoppen. We hadden aan dit station voorbij moeten zoeven, een grauwe flard achter het venster. Fl-fl-fl-fl-flitssss – station Noorderkempen.
Maar verderop staat een trein stil, vertelt een ingeblikte stem ons door de intercom. Er rest voorlopig niets dan wachten, dank voor ons begrip. Ik ben tot de leegte van station Noorderkempen veroordeeld. Ik moet me tot deze desolate plek zien te verhouden.
Helemaal alleen ben ik niet. Ik deel het treinstel met een jong koppel, schuin voor me. Ze spreken allebei Engels, maar hun uitspraak verraadt dat het van geen van beide de moedertaal is; ik vermoed Frans en iets Oost-Europees. Ze keuvelen zachtjes, de essentie van hun gesprek ontgaat me.
Dan valt mijn oog op een wikkel. Ooit beschermde die een chocoladereep, maar nu die zoetigheid is opgegeten heeft het folie-omhulsel geen nut meer. Verloren ligt het op het perron. Soms tilt de wind de verpakking even op. Dan wordt die even gedragen, in zachte, onvoorspelbare rukjes, om een paar meter verderop te landen. Zo danst die wikkel plagerig aan onze coupé voorbij. Het stoort me: hij gaat wél vooruit.
‘Breast cancer is one of the most common types of cancer.’
De zin, uitgesproken door de schrille, emotieloze computerstem van een vertaal-app, overvalt me. „Sssh”, sust de jonge vrouw van het stel voor me. Haar reisgenoot dempt abrupt het volume van zijn telefoon. Ze zwijgen. Buiten waait de wikkel op het spoor.
Alles staat stil op station Noorderkempen. Maar ik heb niets te klagen.
Journalist Wieberen Elverdink (44) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.