Ik weet dat het niet kan, maar ik zou zo graag Donald Trump naar een Nederlandse snelweg willen flitsen.
Even hiervoor zat hij nog in het Oval Office, nu staat hij ietwat verdwaasd naast een tankstation. In de regen, druppels vallen op zijn felrode stropdas, de maartse wind aait met een ijskoude hand door zijn dunne haar. Wat hij normaal altijd zo minutieus over zijn schedel kamt, of laat kammen want daar heeft hij iemand voor, maar nu staat hij te rillen tussen een stukje toiletpapier, een wegwaaiende Twix-verpakking. Hij kijkt naar de mannen en vrouwen die met zorgelijke blikken bij de pompen staan. Eén vrouw valt hem op, ze tuurt met een frons naar de meter. Ze gooit haar tank vol, of half vol om precies te zijn.
Even later zit Donald op haar bijrijdersstoel. Vreemd genoeg heeft de vrouw het niet door, ze kijkt naar haar spiegels, ze prutst wat aan de radio. Ze gaat van muziek naar praatprogramma, weer terug naar muziek en zet het ding dan maar met een zucht uit. Achterin staan twee kinderzitjes. Een appje komt binnen: één van haar kinderen is ziek, of ze die van de kinderopvang kan komen halen. Ze vloekt, roept naar haar telefoon wanneer ze ‘dan godverdomme werken moet.’ Ze keert. Kijkt naar de benzinemeter.
Een rood lampje begint op het dashboard te knipperen
Ze rijden een havenstadje binnen. Stoppen bij een asgrauw gebouw met een bord met een regenboog op de gevel, de Nederlandse naam die eronder staat begrijpt Donald niet. De vrouw stapt uit, gaat het gebouw in, komt even later met een koortsig kind op haar arm weer naar buiten. Het kind huilt, ze stopt het in de auto en rijdt naar de haven, waar ze stopt bij een vissersschip. „Zorg jij maar voor je dochter, je kunt toch niet uitvaren”, roept ze luid uit haar autoraampje, „en als je nog wat geld hebt, mag ik het dan? Als ik tussendoor nog een beetje tank, haal ik mijn afspraak misschien net.” Een rood lampje begint op het dashboard te knipperen.
Ik weet dat het niet kan, maar ik zou zo graag Benjamin Netanyahu naar een Libanese huiskamer willen flitsen. Een halve huiskamer eigenlijk, de andere helft ligt in puin op straat, en in die halve huiskamer kijkt Netanyahu verwonderd naar familiefoto’s in lijstjes met gebroken glas. Ik weet dat het niet kan, maar ik zou zo graag de leiders van het Iraanse regime naar een speelkleed in een buitenwijk van Teheran willen flitsen. Net zaten ze nog in hun diep verstopte bunkers, nu horen ze hoe hard de tekenfilmpjes op televisie worden gezet, omdat ouders niet willen dat hun kind de bommen hoort. Ik weet dat het niet kan, maar ik zou zo graag wereldleiders die oorlogen ontketenen, eens laten ervaren wat zo’n oorlog met gewone mensen doet.
Trump denkt al niet meer aan die moeder
Ondertussen zit Donald Trump bij de Noordzee. Hij denkt al niet meer aan die moeder, dat zieke kind van de opvang, hij denkt al niet meer aan waarom dit haventje geen uitvarende vissersschepen meer kent. Hij speelt op zijn telefoon een heel realistisch oorlogsspelletje. Dan begint het snoeihard te hagelen. Hagel, want regen, zachte regen kent Donald niet, zoiets gevoeligs valt niet in de marmeren gangen van het Witte Huis. Donald Trump leeft in een wereld waarin niemand huilen kan. Dus huilt hij met niemand mee.